Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA4705

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-05-2007
Datum publicatie
09-05-2007
Zaaknummer
200608132/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 januari 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Boarnsterhim (hierna: het college) het verzoek van appellant om informatie over de schriftelijke vastlegging van een subsidieverstrekking op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200608132/1.

Datum uitspraak: 9 mei 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 06/43 van de rechtbank Leeuwarden van 3 oktober 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Boarnsterhim.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 25 januari 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Boarnsterhim (hierna: het college) het verzoek van appellant om informatie over de schriftelijke vastlegging van een subsidieverstrekking op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) afgewezen.

Bij besluit van 25 november 2005 heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 oktober 2006, verzonden op 5 oktober 2006, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 25 november 2005 gedeeltelijk vernietigd, het besluit van 25 januari 2005 in zoverre herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 8 november 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 1 februari 2007 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 april 2007, waar appellant in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.J.M. Gelissen, ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college onvoldoende in het werk heeft gesteld om de door hem verzochte informatie te verstrekken en aldus niet heeft voldaan aan de op hem rustende informatieverplichting.

2.2.    Met de rechtbank ziet de Afdeling geen aanleiding te twijfelen aan de geloofwaardigheid van de mededeling van het college dat, naast de reeds aan appellant verstrekte documenten, verder geen documenten bij hem berusten die betrekking hebben op de door appellant gewenste informatie. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 26 april 2006 in zaak no. 200509349/1, is het in een dergelijk geval in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust. Appellant is hierin niet geslaagd. De enkele stelling dat de door hem gewenste informatie in andere dan de reeds verkregen documenten zou moeten zijn vastgelegd, is, daargelaten de juistheid van die stelling, daartoe onvoldoende. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het college heeft voldaan aan de op hem ingevolge de Wob rustende informatieverplichting. De verwijzing door appellant naar de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2003 in zaak no. 200203425/1, noch hetgeen hij overigens heeft aangevoerd, doet aan de juistheid van dit oordeel af. Deze uitspraak had betrekking op de situatie dat documenten (hebben) bestaan, maar deze niet (meer) te achterhalen zijn, welke situatie in het onderhavige geval niet aan de orde is.

2.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Scheerhout, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena                                         w.g. Scheerhout

Lid van de enkelvoudige kamer                  ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2007

318