Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA4689

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-05-2007
Datum publicatie
09-05-2007
Zaaknummer
200607253/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 augustus 2006 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een varkenshouderij gelegen op het perceel [locatie] te Sint-Oedenrode. Dit besluit is op 24 augustus 2006 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200607253/1.

Datum uitspraak: 9 mei 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te Sint-Oedenrode,

en

het college van burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 22 augustus 2006 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een varkenshouderij gelegen op het perceel [locatie] te Sint-Oedenrode. Dit besluit is op 24 augustus 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 3 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op 4 oktober 2006, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 30 november 2006.

Bij brief van 6 februari 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van vergunninghouder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 april 2007, waar verweerder, vertegenwoordigd door A.J.C.A. Hamers, ambtenaar van de gemeente, is verschenen. Voorts is als partij gehoord vergunninghouder, in persoon en bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

   Uit artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht vloeit voort dat in beroep slechts categorieën milieugevolgen als besluitonderdelen aan de orde kunnen worden gesteld waarover een zienswijze naar voren is gebracht, tenzij het niet naar voren brengen van een zienswijze appellant redelijkerwijs niet kan worden verweten (uitspraak van 1 november 2006 in zaak no. 200602308/1, JB 2007/6).

   Appellanten hebben tegen het ontwerpbesluit onder meer zienswijzen naar voren gebracht met betrekking tot geluidhinder. De beroepsgronden dat de verleende vergunning en de daaraan verbonden voorschriften niet stroken met het akoestisch rapport, dat de representatieve bedrijfssituatie ten onrechte niet is omschreven in de voorschriften, dat het aantal verkeersbewegingen ten onrechte niet is opgenomen in de voorschriften en dat de naleefbaarheid onduidelijk is, hebben naar hun strekking betrekking op geluidhinder. Gelet hierop is er - anders dan vergunninghouder stelt - geen grond voor niet-ontvankelijkverklaring van het beroep op die punten.

2.2.    De bij het bestreden besluit verleende revisievergunning heeft betrekking op het houden van 180 kraamzeugen, inclusief biggen tot spenen, 3.240 gespeende biggen, 695 guste en dragende zeugen, 3 dekberen, 80 opfokzeugen, 128 vleesvarkens en 36 kraamzeugen.

2.3.    Appellanten hebben bezwaren aangevoerd die verband houden met de geluidhinder van activiteiten binnen de inrichting. Zij betogen dat de vergunning en de daaraan verbonden voorschriften niet stroken met het uitgevoerde akoestisch onderzoek. Dit onderzoek kan volgens hen niet als voldoende onderbouwing dienen van de gestelde geluidvoorschriften. Daarbij voeren zij aan dat in het akoestisch rapport niet is uitgegaan van een representatieve bedrijfssituatie, althans dat dit niet inzichtelijk is gemaakt, en dat daarom onvoldoende duidelijk is of de richtwaarden voor een landelijke omgeving, zoals hier aan de orde, kunnen worden nageleefd. Voorts voeren zij aan dat ten onrechte in de voorschriften niet het aantal verkeersbewegingen is opgenomen en niet is bepaald dat het laden en lossen uitsluitend in de dagperiode mag plaatsvinden. Ten aanzien van de in het akoestisch rapport genoemde aarden wal betogen appellanten voorts dat uit de berekeningen van dit onderzoek niet blijkt of met de aarden wal rekening is gehouden, dat niet duidelijk is wat de situatie is met en zonder wal, dat de situering van deze wal niet duidelijk is en dat niet is onderzocht of de wal planologisch gerealiseerd kan worden.

2.3.1.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

   Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.3.2.    Ter voorkoming dan wel beperking van geluidhinder heeft verweerder onder andere de volgende voorschriften aan de vergunning verbonden.

   In voorschrift 3.1.1 is bepaald dat de uitgangspunten in het akoestisch rapport van G&O Consult B.V., nummer 2373ao0105, d.d. 18 november 2005 en toegevoegde bijlagen per e-mail van 4 april 2006, aangehouden dienen te worden in de bedrijfsvoering. Hierbij dient, conform het akoestisch rapport, een wal geplaatst te worden in de zuidwesthoek van de inrichting met een hoogte van 3 meter.

   In de voorschriften 3.1.2 en 3.1.3 zijn geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAR,LT) en het maximale geluidniveau (LAMAX) opgenomen ten aanzien van woningen van derden en rekenpunten op 50 meter van de inrichtingsgrens.

2.3.3.    Voor de beoordeling van geluidhinder heeft verweerder hoofdstuk 4 en hoofdstuk 3, paragraaf 3.2 (wat betreft de maximale geluidniveaus), van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) tot uitgangspunt genomen.

   Wat de feitelijke geluidbelasting vanwege de inrichting betreft is verweerder uitgegaan van een door G&O Consult B.V verricht akoestisch onderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het in voorschrift 3.1.1 genoemde rapport en de aanvulling op dit rapport van 4 april 2006 (hierna: het akoestisch rapport). Op basis van de uitkomsten van dit onderzoek heeft verweerder zich bij het nemen van het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat aan de gestelde geluidgrenswaarden kan worden voldaan.

2.3.4.    In het bij de aanvraag behorende akoestisch rapport, dat blijkens het dictum van het bestreden besluit deel uitmaakt van de verleende vergunning, is een beschrijving gegeven van de activiteiten, waaronder het aantal verkeersbewegingen en het laden en lossen gedurende de dagperiode, dat binnen de inrichting plaatsvindt. Voorts blijkt hieruit dat bij de berekeningen van de geluidbelasting van de inrichting is uitgegaan van een aarden wal die in de zuidwesthoek van de inrichting wordt geplaatst en dat ter plaatse van woningen van derden aan de richtwaarden voor een landelijke omgeving kan worden voldaan. In de genoemde aanvulling van 4 april 2006 op het akoestisch rapport is in figuur 1.3.3 de locatie van de aarden wal aangegeven. Voorts is in voorschrift 3.1.1 bepaald dat deze, conform het akoestisch rapport, in de zuidwesthoek van de inrichting dient te worden geplaatst. Het betoog van appellanten omtrent de onduidelijkheid van de situering van de aarden wal mist dan ook feitelijke grondslag. De Afdeling ziet voorts in hetgeen appellanten betogen geen aanleiding voor het oordeel dat de uitgangspunten en/of conclusies van het akoestisch rapport onjuist dan wel onvolledig zouden zijn. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat er geen grondslag is om de situatie zonder aarden wal te beoordelen aangezien deze situatie niet is aangevraagd. Voor zover appellanten betogen dat de aarden wal mogelijk planologisch niet gerealiseerd kan worden, wijst de Afdeling erop dat het beroep geen betrekking heeft op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en kan het reeds om die reden niet slagen.

   Het beroep treft in zoverre geen doel.

2.3.5.    Naar het oordeel van de Afdeling bestaat, anders dan appellanten menen, geen noodzaak de binnen de inrichting verrichte activiteiten expliciet weer te geven in de aan de vergunning verbonden voorschriften nu in het akoestisch rapport een beschrijving van deze activiteiten is gegeven.

2.3.6.    Voor zover appellanten vrezen dat het aantal aangevraagde verkeersbewegingen wordt overschreden en dat buiten de dagperiode zal worden geladen en gelost, betreft dit dan ook een kwestie van handhaving van de vergunning. Het beroep heeft in zoverre geen betrekking op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en kan om die reden niet slagen.

2.4.    Appellanten betogen dat ten aanzien van hun woning niet aan de ingevolge de Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden (hierna: de Wet stankemissie) en de Regeling stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden (hierna: de Regeling stankemissie) vereiste afstand wordt voldaan. Daarbij voeren zij aan dat hun woning als categorie IV-object als bedoeld in de Wet stankemissie dient te worden aangemerkt en niet - zoals verweerder stelt - als een categorie V-object.

2.4.1.    Niet in geschil is dat de Wet stankemissie en de Regeling stankemissie in het onderhavige geval van toepassing zijn.

   Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet stankemissie wordt een vergunning voor een veehouderij geweigerd, indien de afstand van de veehouderij tot een voor stank gevoelig object, behorend tot een van de categorieën I tot en met IV, dat niet tot de veehouderij behoort, minder bedraagt dan het aantal meters dat volgt uit de in de bijlage opgenomen berekeningsmethode.

   Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Wet stankemissie bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een voor stank gevoelig object categorie V ten minste 50 meter.

   Ingevolge artikel 4, eerste en derde lid, van de Regeling stankemissie wordt de afstand bedoeld in de artikelen 3, eerste lid, en 4, tweede lid, van de wet gemeten vanaf de buitenzijde van het voor stank gevoelig object tot het dichtstbijzijnde emissiepunt van een mestverwerkinginstallatie of dierenverblijf.

2.4.2.    Niet in geschil is dat de ingevolge de Wet stankemissie en de Regeling stankemissie vereiste afstand voor een categorie IV-object 111 meter en voor een categorie V-object 50 meter bedraagt. Blijkens het bestreden besluit en het verhandelde ter zitting bedraagt de afstand tussen de woning van appellanten en het dichtstbijzijnde emissiepunt - in dit geval de dichtstbijzijnde ventilatoruitlaat - van de mechanisch geventileerde dierenverblijven van de inrichting 118 meter. Derhalve wordt, nog daargelaten de vraag of de woning van appellanten behoort tot een categorie IV-object dan wel tot een categorie V-object, voldaan aan de minimaal aan te houden afstand. Uit het voorgaande volgt dat de Wet stankemissie geen grond biedt om de gevraagde vergunning uit een oogpunt van stankhinder te weigeren.

2.5.    Het beroep is ongegrond.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Van Leeuwen

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2007

373