Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA4688

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-05-2007
Datum publicatie
09-05-2007
Zaaknummer
200606549/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 december 2005 heeft verweerster het verzoek van appellante om vergoeding van uitkeringskosten die voortvloeien uit het ontslag uit vaste dienst van een leerkracht, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200606549/1.

Datum uitspraak: 9 mei 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting "Stichting Katholiek Voortgezet Onderwijs Nieuwegein/IJsselstein en omstreken" gevestigd te Nieuwegein,

appellante,

en

de stichting "Stichting Participatiefonds voor het Onderwijs",

verweerster.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 7 december 2005 heeft verweerster het verzoek van appellante om vergoeding van uitkeringskosten die voortvloeien uit het ontslag uit vaste dienst van een leerkracht, afgewezen.

Bij besluit van 27 juli 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft verweerster het door appellante hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief, bij de Raad van State per fax ingekomen op 5 september 2006, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 12 oktober 2006.

Bij brief van 28 november 2006 heeft verweerster een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 april 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. J.M.V. Dubelaar, advocaat te Den Haag, en door [directeur personeel] bij appellante, en verweerster, vertegenwoordigd door drs. R.N. Ramsoedh, werkzaam bij verweerster, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 96o, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs (hierna: de WVO), zoals die wet luidde ten tijde hier van belang en voorzover hier van belang, worden op de ingevolge artikel 96m van de WVO vastgestelde vergoeding in mindering gebracht de kosten voor werkloosheidsuitkeringen of suppleties inzake arbeidsongeschiktheid ten behoeve van gewezen personeel, tenzij de rechtspersoon, bedoeld in artikel 98b van de VWO, op een daartoe strekkend verzoek van het bevoegd gezag, heeft ingestemd met het ten laste van die rechtspersoon brengen van die kosten.

   Ingevolge artikel 98b, eerste lid, van de WVO, voorzover hier van belang, is het bevoegd gezag van een school aangesloten bij een door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan te wijzen rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die zich ten doel stelt waarborgen te bieden voor de kosten van werkloosheidsuitkeringen of suppleties inzake arbeidsongeschiktheid ten behoeve van gewezen personeel.

   Ingevolge artikel 98b, vierde lid, van de WVO, voorzover hier van belang, stelt de rechtspersoon regels vast voor de behandeling, beoordeling en beantwoording van een verzoek van het bevoegd gezag als bedoeld in artikel 96o, derde lid.    

2.2.    Verweerster is de in artikel 98b van de WVO bedoelde rechtspersoon. Zij heeft voor het schooljaar 2005-2006 vastgesteld het "Reglement Participatiefonds voor het Voortgezet Onderwijs voor het schooljaar 2005-2006" (hierna: het Reglement), dat in werking is getreden op 1 februari 2005 en betrekking heeft op alle ontslagen die zijn of worden geëffectueerd per of na 1 augustus 2005.

   Ingevolge artikel 4.1 van het Reglement rust op het bevoegd gezag de verplichting in redelijkheid datgene te doen wat van hem mag worden verwacht ter voorkoming van werkloosheid, respectievelijk om instroom in een werkloosheidsuitkering van betrokkene te voorkomen.

   Ingevolge artikel 4.4 van het Reglement, voor zover hier van belang, wordt bij elke melding beoordeeld of aan het in artikel 4.1 gestelde is voldaan. Indien blijkt dat onvoldoende uitvoering is gegeven aan de activiteiten genoemd in het artikel dat op het ontslag van toepassing is, wordt het vergoedingsverzoek afgewezen.    

   Ingevolge artikel 6.3 van het Reglement wordt een vergoedingsverzoek afgewezen indien niet is voldaan aan het gestelde in artikel 4.4.

   Ingevolge artikel 9, aanhef en onder f, van het Reglement, voor zover hier van belang, kan ontslag op grond van ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van een uitspraak van de sector kanton van de rechtbank een grond voor toewijzing van een vergoedingsverzoek zijn. Aan een ontslag op grond van dit artikel stelt het Participatiefonds als eis dat wordt voldaan aan de inspanningsverplichting van Categorie IV-A hulp bij behoud van werk, extern (bij ontslag uit een vast dienstverband), voor zover hier van belang omvattende:

1    extern een passende functie zoeken; en

2    (vervallen)

3    voormelding bij het Participatiefonds of een door het  Participatiefonds aangewezen reïntegratiebedrijf; of

4    aanbieden van outplacement (outplacement vervangt de inspanningen 1 tot en met 3 van deze categorie).

2.3.    Bij het bestreden besluit van 27 juli 2006 heeft verweerster het besluit van 7 december 2005, waarbij zij heeft geweigerd de uitkeringskosten voortvloeiende uit het ontslag van de betrokken leerkracht per 1 augustus 2005 ten laste van het Participatiefonds te brengen, gehandhaafd. Hieraan heeft verweerster ten grondslag gelegd dat appellante weliswaar heeft voldaan aan de uit artikel 9, aanhef en onder f, van het Reglement voortvloeiende eis tot voormelding bij het door het Participatiefonds aangewezen reïntegratiebedrijf, maar dat zij niet heeft voldaan aan de andere inspanningsverplichtingen van categorie IV-A. Zo heeft appellante met de door haar overgelegde stukken niet aangetoond dat zij voorafgaand aan het ontslag aan betrokkene outplacement heeft aangeboden. Verder heeft zij niet voorafgaand aan het ontslag gezocht naar een passende functie elders, wat is vereist als er geen sprake is van een aanbod van outplacement.

2.4.    Appellante betoogt in de eerste plaats dat zij betrokkene voorafgaand aan het ontslag outplacement heeft aangeboden. Ten bewijze van haar stelling heeft appellante in bezwaar een na het ontslag opgestelde verklaring daarover overgelegd die is ondertekend door twee managementleden van appellante. Volgens appellante valt niet in te zien dat deze verklaring niet zou kunnen dienen als bewijs van een aanbod van outplacement.

2.4.1.    Artikel 4.4.1 van het Reglement vereist dat van een  inspanningsverplichting in alle gevallen schriftelijk bewijs wordt gevraagd. Als bewijsstuk wordt bij ontslag uit een vast dienstverband, met betrekking tot categorie IV-A onder 4, geaccepteerd een afschrift van de brief aan betrokkene waarin het aanbod tot het inschakelen van een outplacementbureau wordt gedaan. Een dergelijke brief heeft appellante niet overgelegd. Appellante heeft haar stelling enkel onderbouwd met een achteraf specifiek daartoe opgestelde verklaring. Hoewel, zoals verweerster ter zitting ook heeft aangegeven, een achteraf op schrift gestelde verklaring als bewijs zou kunnen dienen, kan in dit geval aan de verklaring geen doorslaggevende betekenis worden gehecht. Daargelaten of met de enkele verklaring achteraf van alleen de betrokken bestuurder en directeur van de school voldoende kan worden aangetoond dat de betrokken leerkracht daadwerkelijk outplacement is aangeboden is uit de tekst van de verklaring, waaronder de daarin genoemde data waarop met de leerkracht is gesproken, niet af te leiden dat appellante daadwerkelijk outplacement heeft aangeboden in het kader van het ontslag uit vast dienstverband, zoals het Reglement vereist. Het aanbieden van algemene steun of de bereidheid over te gaan tot outplacement op een moment dat ontslag nog niet aan de orde was en de leerkracht niet elders wilde gaan werken, is bij de verplichting van categorie IV-A onder 4 onvoldoende. Derhalve is de vraag aan de orde of appellante aan de verplichting als bedoeld in categorie IV-A onder 1 heeft voldaan.

2.5.    Appellante betoogt in dat verband dat zij zich reeds voor de ontslagdatum heeft ingespannen om voor betrokkene extern een passende functie te zoeken. Die inspanning bestond daaruit dat zij zich bezighield met het nadenken over het juiste moment om schoolbesturen voor een passende functie voor betrokkene te benaderen. Verder betoogt appellante dat zij na de datum van ontslag heeft getracht extern een passende functie voor betrokkene te vinden. Zij is van mening dat deze inspanningen gezien moeten worden als een inspanning als bedoeld in categorie IV-A van het Reglement en dat het Reglement geen aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat deze inspanningen geheel buiten beschouwing moeten worden gelaten. Appellante stelt in dit verband dat de omvang van de wachtgelduitgaven ook wordt teruggedrongen wanneer zij er in slaagt een reeds ingegaan uitkeringsrecht te bekorten.

2.5.1.     Naar het oordeel van de Afdeling staat in het kader van de instroomtoets als hier aan de orde de inspanning van de werkgever centraal. Uit de toelichting die aan het Reglement is toegevoegd en die blijkens artikel 27.1 van het Reglement onderdeel uitmaakt van het Reglement blijkt dat bij de instroomtoets de nadruk ligt op het voorkomen van instroom in de werkloosheidsregelingen. Bij de beoordeling van een vergoedingsverzoek wil het Participatiefonds zich kunnen richten op de vraag of het bevoegd gezag in redelijkheid al datgene in het werk heeft gesteld om het ontslag en vervolgens de instroom in de werkloosheid te voorkomen. Zulks vindt ook zijn weerslag in artikel 4.1 en 4.4 van het Reglement. Hieruit volgt dat de inspanningen van appellante reeds vóór het ontslag moeten zijn gelegen.

Het had dan ook op de weg van appellante gelegen om tijdig en actief extern daadwerkelijk te zoeken naar voor betrokkene passende functies. Appellante had niet mogen volstaan met slechts nadenken over het juiste moment om schoolbesturen voor een passende functie voor betrokkene te benaderen. Als appellante, zoals zij stelt, vreesde dat de brieven aan andere schoolbesturen in de schoolvakantie in het ongerede zouden raken, had zij deze later nogmaals aan de schoolbesturen kunnen doen toekomen. Daarbij acht de Afdeling van belang dat, gelet op de aanloop naar de ontbindingsprocedure, het ontslag reeds geruime tijd voorzienbaar was en zij zich reeds vanaf dat moment actief had kunnen opstellen. Nu appellante zich eerst actief heeft ingespannen na de datum van ontslag en deze inspanningen niet kunnen worden gezien als een inspanning als aangeduid in categorie IV-A, is de inspanning van appellante voorafgaand aan het ontslag aldus beperkt gebleven tot het zich bezinnen op te ondernemen acties. Daarmee heeft appellante de strekking van de op haar rustende inspanningsverplichting miskend.

2.6.    Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat verweerster zich terecht en op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij heeft voldaan aan de inspanningsverplichting als bedoeld in de van toepassing zijnde categorie IV-A. Verweerster heeft de afwijzing van het vergoedingsverzoek bij het besluit op bezwaar dan ook terecht gehandhaafd.

2.7.    Het beroep is ongegrond.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Voorzitter, en mr. D.A.C. Slump en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Dallinga

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2007

18-536.