Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA4687

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-05-2007
Datum publicatie
09-05-2007
Zaaknummer
200606432/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 december 2005 heeft verweerster het verzoek van appellante om vergoeding van uitkeringskosten die voortvloeien uit het ontslag uit vaste dienst van een leerkracht, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200606432/1.

Datum uitspraak: 9 mei 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de gemeente Dinkelland,

appellante,

en

de stichting "Stichting Participatiefonds voor het onderwijs",

verweerster.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2005 heeft verweerster het verzoek van appellante om vergoeding van uitkeringskosten die voortvloeien uit het ontslag uit vaste dienst van een leerkracht, afgewezen.

Bij besluit van 24 juli 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft verweerster het door appellante hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief, bij de Raad van State per fax ingekomen op 30 augustus 2006, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 7 november 2006.

Bij brief van 5 december 2006 heeft verweerster een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van appellante. Dit is in kopie aan de andere partij gezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 april 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. H.G.M. van Zutphen, advocaat te Almelo, en verweerster, vertegenwoordigd door drs. R.N. Ramsoedh, werkzaam bij verweerster, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 138, derde lid, van de Wet op het primair onderwijs (hierna: de WPO), zoals dat luidde ten tijde hier van belang, worden op de bekostiging van de uitgaven voor het personeel in mindering gebracht de kosten van werkloosheidsuitkeringen of suppleties inzake arbeidsongeschiktheid ten behoeve van gewezen personeel. De eerste volzin is niet van toepassing, indien de rechtspersoon, bedoeld in artikel 184, op een daartoe strekkend verzoek van het bevoegd gezag, voorafgaand aan het ontslag heeft ingestemd met het ten laste van die rechtspersoon brengen van de kosten van uitkeringen of suppleties als bedoeld in de eerste volzin.

   Ingevolge artikel 184, eerste lid, van de WPO is het bevoegd gezag van een school onderscheidenlijk het bestuur van een centrale dienst aangesloten bij een door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan te wijzen rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die zich ten doel stelt waarborgen te bieden voor de kosten van werkloosheidsuitkeringen of suppleties inzake arbeidsongeschiktheid ten behoeve van gewezen personeel.

   Ingevolge het vierde lid van dit artikel, voor zover hier van belang,  stelt de rechtspersoon regels vast voor de behandeling, beoordeling en beantwoording van een verzoek van het bevoegd gezag als bedoeld in artikel 138, derde lid.

2.2.    Verweerster is de in artikel 184 van de WPO bedoelde rechtspersoon. Zij heeft voor het schooljaar 2000-2001 het 'Reglement Participatiefonds voor het Primair Onderwijs voor het schooljaar 2000-2001' (hierna: het Reglement) vastgesteld, dat in werking is getreden op 1 februari 2000 en betrekking heeft op alle ontslagen die zijn of worden geëffectueerd per of na 1 augustus 2000.

   Ingevolge artikel 4.1 van het Reglement rust op het bevoegd gezag de verplichting in redelijkheid datgene te doen wat van hem mag worden verwacht ter voorkoming van werkloosheid, respectievelijk om instroom in een werkloosheidsuitkering van betrokkene te voorkomen.

    Ingevolge artikel 4.2 van het Reglement wordt bij elke melding beoordeeld of aan het in het eerste lid gestelde is voldaan. Indien blijkt dat onvoldoende uitvoering is gegeven aan de in de toelichting genoemde activiteiten, wordt het vergoedingsverzoek afgewezen. Er is immers onvoldoende aangetoond dat instroom in de werkloosheidsregelingen in dergelijke gevallen niet te vermijden is geweest.

   Ingevolge artikel 4.3 van het Reglement, voorzover hier van belang, stelt verweerster, in het kader van een ontslag op grond van artikel 9, de eisen als bedoeld in de categorieën I, II, III en IV die zijn opgenomen in de toelichting bij het Reglement. Het bevoegd gezag informeert verweerster schriftelijk op welke wijze aan de inspanningsverplichting is voldaan.

   Ingevolge artikel 6.1 van het Reglement, voor zover hier van belang, kan een vergoedingsverzoek alleen worden toegewezen indien het ontslag is verleend met inachtneming van het gestelde in artikel 7 tot en met 11.

   Ingevolge artikel 6.2 van het Reglement wordt een vergoedingsverzoek afgewezen indien niet is voldaan aan het gestelde in artikel 4.

    Ingevolge artikel 9, aanhef en onder c, van het Reglement kan ontslag wegens opheffing van de enige instelling die onder het bevoegd gezag ressorteert (uitgezonderd opheffing wegens fusie) een grond voor toewijzing van het vergoedingsverzoek zijn.

2.2.1.     In de toelichting op artikel 4 heeft verweerster de inspanningsverplichting bij ontslag uit een dienstverband, wat betreft categorie IV-A "hulp bij behoud van werk, extern" bij een ontslag uit een vast dienstverband, voor zover hier van belang, onderverdeeld in:

-  extern een passende functie zoeken (indien aangesloten, gebruik maken                                                                                                                                                         van een mobiliteitscentrum/arbeidspool, zoeken bij een ander bevoegd gezag, of buiten het onderwijs); en

-  ondersteunen van betrokkene bij het zoeken naar een andere functie; en

-  inschakelen arbeidsvoorziening; en

-  voormelding bij USZO (Uitvoeringsinstelling Sociale Zekerheid voor                                                          Overheid en Onderwijs); of

-  outplacement.

2.3.    Bij het bestreden besluit heeft verweerster het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en haar weigering de uitkeringskosten voortvloeiende uit het ontslag met ingang van 4 september 2000 uit een vast dienstverband van een leerkracht ten laste van het Participatiefonds te brengen, gehandhaafd. Zij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat in bezwaar weliswaar is aangetoond dat het ontslag op grond van artikel 9, aanhef en onder c, van het Reglement als onvermijdbaar kan worden aangemerkt, maar dat appellante niet volledig heeft voldaan aan de op grond van artikel 4 van het Reglement op haar rustende inspanningsverplichting, nu niet is gebleken van een voormelding bij USZO of van outplacement.

2.4.    Appellante betoogt in de eerste plaats dat zij betrokkene voorafgaand aan het ontslag outplacement heeft aangeboden. Zij stelt dat zij daartoe gebruik heeft gemaakt van de diensten van Bureau Openbaar Onderwijs Twente (BOOT). Dit heeft geleid tot een tijdelijke aanstelling bij de gemeente Hengelo.

2.4.1.    Dit betoog faalt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat BOOT een publieke onderwijsorganisatie is waarbij de daarbij aangesloten schoolbesturen, zoals appellante en de gemeente Hengelo, terecht kunnen voor ondersteuning bij diverse taken. BOOT heeft in dat kader een bemiddelende taak verricht tussen twee bij haar aangesloten leden en heeft op deze wijze kunnen bewerkstelligen dat betrokkene in een vervangingsbetrekking bij de gemeente Hengelo werd aangesteld. Een dergelijke bemiddeling kan in het kader van de inspanningsverplichtingen van artikel 4 van het Reglement weliswaar worden geduid als het extern een passende functie zoeken maar kan niet gelijk worden gesteld aan het aanbieden van outplacement. Gelet op het feit dat outplacement de overige inspanningsverplichtingen van categorie IV-A vervangt zal er bij outplacement sprake moeten zijn van een substantiële inspanning door de werkgever. Naar het oordeel van de Afdeling dient er bij outplacement in de zin van het Reglement sprake te zijn van een planmatige begeleiding door een derde van een met ontslag bedreigde werknemer bij het verwerven van een reguliere betrekking elders, waarbij een brede oriëntatie op de arbeidsmarkt en een wezenlijke financiële inspanning van de werkgever kenmerkend zijn. Appellante heeft met de door haar overgelegde stukken niet aangetoond dat zulks hier het geval is. Nu hierom niet van outplacement in de zin van het Reglement kan worden gesproken is de vraag aan de orde of appellante aan de inspanningsverplichting "voormelding bij USZO" heeft voldaan.

2.5.    Deze vraag moet ontkennend worden beantwoord. In het kader van de instroomtoets als hier aan de orde staat de inspanning van de werkgever centraal. Uit de toelichting die aan het Reglement is toegevoegd en die blijkens artikel 27 van het Reglement ervan deel uitmaakt, volgt dat bij de instroomtoets de nadruk ligt op het voorkomen van instroom in de werkloosheidsregelingen. Bij de beoordeling van een vergoedingsverzoek wil verweerster zich volgens de toelichting kunnen richten op de vraag of het bevoegd gezag in redelijkheid al datgene in het werk heeft gesteld om het ontslag en de werkloosheid te voorkomen. Hieruit volgt dat de inspanningen van appellante reeds vóór het ontslag moeten zijn gelegen. Het woord voormelding is hiermee in overeenstemming. De voormelding heeft geen louter formele betekenis maar is mede bedoeld om te bevorderen dat een volwaardige arbeidsbetrekking wordt verkregen. Gelet op het feit dat betrokkene in dit geval aansluitend op het ontslag uit het vaste dienstverband bij appellante een vervangingsbetrekking elders voor de duur van nog geen vier maanden is aangeboden was het voor appellante te voorzien dat betrokkene op korte termijn alsnog werkloos zou worden. Onder deze omstandigheden was appellante ingevolge (de toelichting bij) artikel 1, onder 22, van het Reglement gehouden het ontslag uit de reguliere, vaste betrekking bij USZO te melden. Appellante heeft bij brief van 16 oktober 2000 aan betrokkene een formulier voormelding dreigend ontslag doen toekomen. Afgezien van het feit dat met de enkele verzending van dit formulier aan betrokkene niet zou komen vast te staan dat appellante de voormelding bij de USZO heeft verricht, door het formulier voormelding dreigend ontslag niet voor of direct na afloop van de reguliere betrekking maar eerst op 16 oktober 2000, ruim een maand na de ontslagdatum van 4 september 2000, aan betrokkene te doen toekomen is daarmee niet de vereiste inspanning verricht om de te voorziene instroom in de werkloosheidsregelingen na het einde van de vervangingsbetrekking te voorkomen.

2.6.    Uit het voorgaande volgt dat verweerster zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij volledig heeft voldaan aan alle inspanningsverplichtingen van categorie IV-A zoals vermeld artikel 4 van het Reglement.

2.7.    Appellante kan tenslotte evenmin worden gevolgd in het betoog dat de omstandigheid dat de uitkeringskosten ten behoeve van betrokkene voor haar rekening blijven, haar onevenredig treft, zodat verweerster deze kosten met toepassing van artikel 28, tweede lid, van het Reglement voor haar rekening had moeten nemen. Ingevolge artikel 138, derde lid, van de WPO draagt appellante dan de kosten die voortvloeien uit een ontslag als hier aan de orde, ongeacht de hoogte ervan.

2.8.    Het beroep is ongegrond.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Voorzitter, en mr. D.A.C. Slump en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Dallinga

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2007

18-536.