Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA4681

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-05-2007
Datum publicatie
09-05-2007
Zaaknummer
200700167/3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 juni 2004 heeft de gemeenteraad van Aalsmeer het bestemmingsplan "1e Herziening N201-zone" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200700167/3.

Datum uitspraak: 1 mei 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van:

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verzoeker,

om opheffing of wijziging (artikel 8:87 van de Algemene wet bestuursrecht) van de bij uitspraak van 26 maart 2007 in zaak no. 200700167/2 getroffen voorlopige voorziening in het geding tussen onder meer:

1.    [wederpartijen sub 1], beiden wonend te [woonplaats],

2.    [wederpartijen sub 2], allen wonend te [woonplaats],

en

verzoeker.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 24 juni 2004 heeft de gemeenteraad van Aalsmeer het bestemmingsplan "1e Herziening N201-zone" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 25 januari 2005, kenmerk 2004-31129, aan het gehele plan goedkeuring onthouden omdat terzake van de kennisgeving van het vastgestelde plan niet aan de wettelijke eisen was voldaan.

Bij besluit van 27 januari 2005 heeft de gemeenteraad van Aalsmeer het bestemmingsplan "1e Herziening N201-zone" opnieuw ongewijzigd vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 23 augustus 2005, kenmerk 2005-10170, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Bij uitspraak van 11 oktober 2006 in zaak no. 200508162/1 (www.raadvanstate.nl) heeft de Afdeling dit besluit gedeeltelijk vernietigd.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 28 november 2006, kenmerk 2006-62248, opnieuw beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben onder meer [wederpartijen sub 1] bij brief gedateerd 10 januari 2007, bij de Raad van State ingekomen op 9 januari 2007, en [wederpartijen sub 2] bij brief van 10 januari 2007, bij de Raad van State ingekomen op 11 januari 2007, beroep ingesteld.

Bij brief van 1 februari 2007, bij de Raad van State ingekomen per faxbericht op dezelfde dag, hebben [wederpartijen sub 1] de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief van 6 februari 2007, bij de Raad van State ingekomen per faxbericht op dezelfde dag, hebben [wederpartijen sub 2] de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij mondelinge uitspraak van 26 maart 2007 in zaak no. 200700167/2 heeft de Voorzitter bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van verzoeker van 28 november 2006 geschorst, voor zover het de verlening van goedkeuring aan het bestemmingsplan betreft. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Bij brief van 3 april 2007, bij de Raad van State ingekomen per faxbericht op dezelfde dag, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht deze voorlopige voorziening op te heffen of te wijzigen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 10 april 2007, waar verzoeker, vertegenwoordigd door mr. M. Klijnstra, advocaat te Amsterdam, en J.A. Oortman Gerlings, D. Winters en R. Verbeek, allen ambtenaar bij de provincie, [wederpartijen sub 1], in de persoon van [gemachtigde], en [wederpartijen sub 2], in de persoon van [gemachtigde], zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de gemeenteraad van Aalsmeer, vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Besselink, advocaat te Den Haag, en L. van der Leij, ambtenaar van de gemeente.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Het bestemmingsplan betreft een herziening van het bestemmingsplan "N201-zone" en heeft betrekking op het tracé van de om te leggen N201 voor zover dat is gelegen in de gemeente Aalsmeer.

2.3.    In zijn uitspraak van 26 maart 2007 heeft de Voorzitter het goedkeuringsbesluit van 28 november 2006 geschorst voor zover daarmee goedkeuring is verleend aan het bestemmingsplan. Hij heeft in de omstandigheid dat verweerder en de gemeenteraad hebben miskend dat het plan nog niet in werking is getreden alsmede vanwege het feit dat met zijn uitspraak aan de uit artikel 56b, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) voortvloeiende schorsende werking een einde komt, aanleiding gezien het goedkeuringsbesluit in zoverre bij wijze van ordemaatregel te schorsen.

2.4.    Verzoeker verzoekt de schorsing van het goedkeuringsbesluit op te heffen voor zover deze ziet op het gedeelte van het plan ten noordwesten van de aansluiting van de nieuwe N201 op de Middenweg, zoals nader aangegeven op een bij het verzoek gevoegde kaart. Hij heeft daarbij aangegeven dat voor dit gedeelte van de weg geen vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO is verzocht. Het belang bij opheffing van de schorsing is volgens verzoeker gelegen in de omstandigheid dat op zeer korte termijn moet worden gestart met (de voorbereiding van) de aanleg van de westelijk gelegen tunnel(bak) onder de Ringvaart en het voorbelasten van de gronden. Verdere opschorting zal volgens hem leiden tot ernstige vertragingen voor het gehele project en grote financiële schade. De voorgenomen werkzaamheden raken de belangen van [wederpartijen sub 1] [wederpartijen sub 2] niet, aangezien deze op grote afstand van hun woningen aan de Hornweg en de Aalsmeerderweg plaatsvinden, aldus verzoeker.

2.5.    De Voorzitter ziet zich voor de vraag gesteld of aanleiding bestaat de getroffen ordemaatregel op te heffen dan wel te laten voortduren. In dat kader is van belang welke werkzaamheden tot het moment dat naar verwachting in de bodemprocedure op de beroepen zal worden beslist, op grondslag van het bestemmingsplan zullen worden uitgevoerd, of deze omkeerbaar zijn en in hoeverre de belangen van verzoekers daardoor worden geraakt. Daarbij is in dit geval van betekenis dat vanwege de onthouding van goedkeuring aan verschillende delen van het plangebied en de keuze van de gemeenteraad vooralsnog geen plan als bedoeld in artikel 30 van de WRO vast te stellen, een belangrijk gewicht toekomt aan de parallel lopende procedures inzake de vrijstellingen als bedoeld in artikel 19 van de WRO. In dat kader zijn met name van belang de voorgenomen kunstwerken bij de Hornweg die zijn voorzien buiten het weggedeelte waarvoor het verzoek is gedaan.

   Verweerder heeft tijdens de zitting op 26 maart 2007 en de zitting op 10 april 2007 van elkaar afwijkende verklaringen afgelegd omtrent de werkzaamheden ter plaatse van de gronden waarvoor thans opheffing van de schorsing is verzocht, in het bijzonder de af- en aanvoer van grond en zand. De Voorzitter ziet hierin reden de vraag of en in hoeverre aanleiding bestaat de getroffen ordemaatregel op te heffen strikt te beperken tot de gronden waarop de tunnelbak en het aansluitende voorbelasten van de gronden zijn voorzien. Het verzoek ziet met name op deze gronden in verband met de voorgenomen werkzaamheden op korte termijn. Eerst indien een niet meer te wijzigen overzicht van de werkzaamheden voor de overige gronden gegeven kan worden, kan er aanleiding bestaan de getroffen ordemaatregel voor die gronden op te heffen.

2.5.1.    De Voorzitter acht de voorgenomen werkzaamheden ten aanzien van de aanleg van de tunnelbak en de voorbelasting van gronden op voorhand niet onomkeerbaar. Het betreft in dit geval, zo is de Voorzitter aannemelijk gemaakt, het afgraven van veengrond en het tijdelijk opvullen van het tracé met zand ter voorbereiding van de bouw van een tunnel onder de Ringvaart. Deze werkzaamheden behoeven op zich niet aan een terugkeer naar het eerdere gebruik van de gronden in de weg te staan indien de nieuwe N201 uiteindelijk niet tot stand zou kunnen worden gebracht. Het is naar het oordeel van de Voorzitter aannemelijk dat het landschap ter plaatse in dat geval weer kan en zal worden hersteld.

2.5.2.    Ter zitting is van de zijde van verweerder gesteld, en de Voorzitter gaat daar ook nu van uit, dat de werkzaamheden voor de aanleg van de tunnelbak en het aansluitende voorbelasten van de gronden zullen plaatsvinden vanuit noordwestelijke richting (Ringvaart Haarlemmermeer). Voor deze werkzaamheden zal derhalve geen af- en aanvoer van grond en zand vanuit zuidoostelijke richting (Legmeerdijk) en daarmee op korte afstand langs de woningen van [wederpartijen sub 1],[wederpartijen sub 2], voor zover gelegen aan de Hornweg, plaatsvinden.

   De woningen van [wederpartijen sub 1], [wederpartijen sub 2], voor zover gelegen aan de Hornweg, bevinden zich op een afstand van ruim 400 meter of meer tot de gronden waarvoor het verzoek om opheffing van de getroffen voorlopige voorziening is gedaan. Voor zover het woningen van [wederpartijen sub 2] aan de Aalsmeerderweg betreft is deze afstand tot die gronden minimaal ongeveer 150 meter. Gelet op deze afstanden kan niet worden geoordeeld dat voor ernstige overlast vanwege de werkzaamheden indien deze plaats vinden vanuit noordwestelijke richting, dient te worden gevreesd.

2.5.3.    De Voorzitter zal bij beantwoording van de vraag of aanleiding bestaat de getroffen ordemaatregel op te heffen dan wel te laten voortduren, uitsluitend de belangen van verzoeker en de in deze procedure betrokken bewoners van woningen in de nabijheid van de voorziene N201 afwegen. Hij zal uitdrukkelijk geen zogenoemd voorlopig rechtmatigheidsoordeel geven nu de vraag of het gedeelte van de N201 waarop het onderhavige bestemmingsplan ziet, mag worden aangelegd, in dit geval in de eerste plaats dient te worden beantwoord in de procedures inzake de vrijstellingen op grond van artikel 19 van de WRO, die voor het desbetreffende gedeelte van het tracé verleend zijn. De vrijstellingen op grond van artikel 19 van de WRO dienen te worden gegrond op een zelfstandige ruimtelijke onderbouwing. Deze ruimtelijke onderbouwing van de vrijstellingen kan en dient in de procedures inzake de vrijstellingen als bedoeld in artikel 19 van de WRO ten volle aan de orde te komen. Teneinde te vermijden dat aan een voorlopig rechtmatigheidsoordeel in deze procedure betekenis wordt toegekend in de procedures inzake de vrijstellingen als bedoeld in artikel 19 van de WRO, ziet de Voorzitter af van het geven van een zodanig oordeel om in elk opzicht te vermijden dat het zelfstandige toetsingskader voor de besluiten in de vrijstellingsprocedures wordt beïnvloed. Aangezien de inhoudelijke bezwaren van [wederpartijen sub 1], [wederpartijen sub 2] met name zien op gedeelten van de N201, waarvoor vrijstellingen op grond van artikel 19 van de WRO zijn verleend, worden deze daarom in deze procedure buiten bespreking gelaten.

2.5.4.    De Voorzitter laat het belang van verzoeker bij spoedige inwerkingtreding van de plandelen, waarop het verzoek met name is gericht, zwaarder wegen dan het belang van de bewoners, gelet op de omkeerbaarheid van de werkzaamheden, de afstand van de werkzaamheden tot de woningen en de wijze van uitvoering, alsmede de omstandigheid dat op korte termijn uitspraken van de rechtbank zijn te verwachten inzake de verleende vrijstellingen ingevolge artikel 19 van de WRO.

2.5.5.    Gelet op het voorgaande ziet de Voorzitter geen aanleiding de schorsing van het goedkeuringsbesluit, voor zover het betreft de gronden waarop de tunnelbak en het aansluitende voorbelasten van de gronden zijn voorzien, te laten voortduren.

2.5.6.    De getroffen voorlopige voorziening dient voor zover het deze gronden betreft, zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaarten, te worden opgeheven. Voor het overige ziet de Voorzitter geen aanleiding de getroffen voorlopige voorziening op te heffen.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    heft de voorlopige voorziening, getroffen bij uitspraak van de Voorzitter van 26 maart 2007 in zaak no. 200700167/2, op voor zover het betreft de plandelen zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaarten 1 en 2;

II.    wijst het verzoek voor het overige af.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Bechinka

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2007

371.