Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA4660

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-04-2007
Datum publicatie
09-05-2007
Zaaknummer
200702279/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / Wav-controle / feitelijke handeling

Uit dit proces-verbaal blijkt genoegzaam dat de verbalisanten zijn opgetreden als ambtenaren van politie ter uitvoering van de politietaak, omschreven in artikel 2 van de Politiewet 1993, mede belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav) en zij in de uitvoering van die taak de kamer boven de keuken zijn binnengetreden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 juli 2001 in zaak no. 200102650/1, AB 2001, 273), is het niet aan de rechter in vreemdelingenzaken te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 toegekende bevoegdheden. In dit geval is sprake van een controle ter uitvoering van de Wav. Zoals de Afdeling ook eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 juli 2002 in zaak no. 200202606/1, JV 2002/297), staat de rechtmatigheid van zodanige controle, een feitelijke handeling, niet zijnde een besluit, niet ter beoordeling van de vreemdelingenrechter. Eerst indien de onrechtmatigheid hiervan door een daartoe bevoegde rechter is vastgesteld, kan de vreemdelingenrechter zich gesteld zien voor de vraag naar de gevolgen daarvan voor de rechtmatigheid van de inbewaringstelling. Van een dergelijke situatie is in dit geval geen sprake. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank ten onrechte een oordeel over de rechtmatigheid van het binnentreden en doorzoeken van de kamer boven de keuken gegeven. De tegen dat oordeel gerichte grieven kunnen reeds hierom niet tot het door appellant beoogde doel leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200702279/1.

Datum uitspraak: 27 april 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 07/9687 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 26 maart 2007 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 maart 2007 is appellant in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 26 maart 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 30 maart 2007, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 4 april 2007 heeft de Staatssecretaris van Justitie een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de grieven, gelezen in hun onderlinge samenhang, klaagt appellant dat de rechtbank, door te overwegen dat de kamer waarin hij, op de eerste etage van het bedrijfspand, staande is gehouden, niet als een woning kan worden aangemerkt, heeft miskend dat zijn huiselijk leven zich in die kamer afspeelt en de politie onrechtmatig heeft gehandeld door die kamer zonder zijn toestemming binnen te treden en te doorzoeken.

2.1.1. Volgens het proces-verbaal van de staandehouding, voor zover thans van belang, hebben de verbalisanten, tijdens een zogenoemde werkplekcontrole in een restaurant, appellant door een luikje in de keuken gezien, is appellant daarop weggerend en hebben zij, na een korte achtervolging door het bedrijfspand, appellant ontdekt in de kamer boven de keuken, waar hij zich achter het knieschotje had verstopt en het deurtje van binnenuit had afgesloten.

2.1.2. Uit dit proces-verbaal blijkt genoegzaam dat de verbalisanten zijn opgetreden als ambtenaren van politie ter uitvoering van de politietaak, omschreven in artikel 2 van de Politiewet 1993, mede belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav) en zij in de uitvoering van die taak de kamer boven de keuken zijn binnengetreden.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 juli 2001 in zaak no. 200102650/1, AB 2001, 273), is het niet aan de rechter in vreemdelingenzaken te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 toegekende bevoegdheden. In dit geval is sprake van een controle ter uitvoering van de Wav. Zoals de Afdeling ook eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 juli 2002 in zaak no. 200202606/1, JV 2002/297), staat de rechtmatigheid van zodanige controle, een feitelijke handeling, niet zijnde een besluit, niet ter beoordeling van de vreemdelingenrechter. Eerst indien de onrechtmatigheid hiervan door een daartoe bevoegde rechter is vastgesteld, kan de vreemdelingenrechter zich gesteld zien voor de vraag naar de gevolgen daarvan voor de rechtmatigheid van de inbewaringstelling. Van een dergelijke situatie is in dit geval geen sprake.

Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank ten onrechte een oordeel over de rechtmatigheid van het binnentreden en doorzoeken van de kamer boven de keuken gegeven. De tegen dat oordeel gerichte grieven kunnen reeds hierom niet tot het door appellant beoogde doel leiden.

2.1.3. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop die berust, te worden bevestigd.

2.2. Het verzoek om schadevergoeding dient reeds hierom te worden afgewezen.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. P.B.M.J. van der Beek Gillessen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin

Voorzitter w.g. Hazen

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 april 2007

452

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak