Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA4658

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-04-2007
Datum publicatie
09-05-2007
Zaaknummer
200701212/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag na terugkeer naar land van herkomst / toetsingskader

Uit de jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld recentelijk de uitspraak van 20 april 2007 in zaak no. 200700590/1; [ljn BA3687]) vloeit voort dat, indien na een eerdere afwijzende beslissing een materieel vergelijkbare beslissing wordt genomen, voorshands moet worden aangenomen dat het in die uitspraak uiteengezette beoordelingskader in de weg staat aan een rechterlijke toetsing van dat besluit, als ware het een eerste afwijzing. Uit voormelde uitspraak van 13 mei 2005 volgt dat, indien een vreemdeling na een eerdere asielprocedure stelt naar zijn land van herkomst, althans naar zijn land van eerder verblijf, te zijn teruggekeerd en vervolgens hier te lande een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel indient, geen sprake is van een materieel vergelijkbare beslissing, indien de vreemdeling die terugkeer aannemelijk heeft gemaakt en aan de aanvraag een op basis van een in dat land na die terugkeer opgekomen nieuw feitencomplex en een daarop gebaseerd asielrelaas dat een zelfstandig karakter heeft ten opzichte van het relaas dat tot de eerdere afwijzing heeft geleid en derhalve los daarvan beoordeeld dient te worden, ten grondslag heeft gelegd. De vraag of van een dergelijke situatie sprake is, vergt een zelfstandige beoordeling door de rechter.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/287

Uitspraak

200701212/1.

Datum uitspraak: 27 april 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de Minister van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 07/3126 en 07/3131 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 8 februari 2007 in het geding tussen:

[vreemdeling]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 januari 2007 heeft appellant (hierna: de minister) een aanvraag van [vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 8 februari 2007, verzonden op 9 februari 2007, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister opnieuw beslist op de aanvraag met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 15 februari 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 22 februari 2007 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de enige grief klaagt de minister onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 13 mei 2005 in zaak no. 200503208/1 (JV 2005/255) onder meer dat de voorzieningenrechter ten onrechte niet zelfstandig heeft beoordeeld of de vreemdeling aan haar aanvraag een nieuw feitencomplex ten grondslag heeft gelegd dat een zelfstandig karakter heeft ten opzichte van haar eerdere asielaanvraag.

2.1.1. De vreemdeling heeft eerder een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Met de uitspraak van 8 juni 2005 van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Leeuwarden, is het besluit van 23 mei 2005 tot afwijzing van die aanvraag in rechte onaantastbaar geworden.

Aan de aanvraag die tot het besluit van 19 januari 2007 heeft geleid heeft de vreemdeling ten grondslag gelegd dat zij na haar eerdere procedure naar Mongolië is teruggekeerd. Onder verwijzing naar de door haar bij haar aanvraag overgelegde documenten heeft de vreemdeling voorts betoogd dat haar na terugkeer is gebleken dat zij in Mongolië nog steeds door de politie wordt gezocht in verband met de verdrinking van een kind en dat zij problemen heeft ondervonden met een familielid van dat kind.

2.1.2. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld recentelijk de uitspraak van 20 april 2007 in zaak no. 200700590/1; www.raadvanstate.nl) vloeit voort dat, indien na een eerdere afwijzende beslissing een materieel vergelijkbare beslissing wordt genomen, voorshands moet worden aangenomen dat het in die uitspraak uiteengezette beoordelingskader in de weg staat aan een rechterlijke toetsing van dat besluit, als ware het een eerste afwijzing.

Uit voormelde uitspraak van 13 mei 2005 volgt dat, indien een vreemdeling na een eerdere asielprocedure stelt naar zijn land van herkomst, althans naar zijn land van eerder verblijf, te zijn teruggekeerd en vervolgens hier te lande een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel indient, geen sprake is van een materieel vergelijkbare beslissing, indien de vreemdeling die terugkeer aannemelijk heeft gemaakt en aan de aanvraag een op basis van een in dat land na die terugkeer opgekomen nieuw feitencomplex en een daarop gebaseerd asielrelaas dat een zelfstandig karakter heeft ten opzichte van het relaas dat tot de eerdere afwijzing heeft geleid en derhalve los daarvan beoordeeld dient te worden, ten grondslag heeft gelegd. De vraag of van een dergelijke situatie sprake is, vergt een zelfstandige beoordeling door de rechter.

2.1.3. Uit het vorenstaande volgt dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat voor de beoordeling of sprake is van

een materieel vergelijkbare beslissing, niet alleen relevant is of de door de vreemdeling gestelde terugkeer naar Mongolië aannemelijk is. Hoewel de voorzieningenrechter niet ten onrechte is uitgegaan van de aannemelijkheid hiervan neemt dit niet weg dat het in 2.1.2. uiteengezette beoordelingskader, hem ertoe noopte om, ongeacht de omstandigheid dat het bepaalde in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht niet door de minister aan de vreemdeling is tegengeworpen, zelfstandig te beoordelen of haar op die terugkeer gebaseerde asielrelaas, gelet op het daaraan ten grondslag gelegde feitencomplex, een zelfstandig karakter heeft ten opzichte van het relaas dat tot de eerdere, in rechte onaantastbare, afwijzing heeft geleid. Die beoordeling heeft de voorzieningenrechter ten onrechte achterwege gelaten. De grief slaagt.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding de zaak met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Raad van State naar de rechtbank terug te wijzen om te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

2.3. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van deze kosten te beslissen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 8 februari 2007 in zaak no. AWB 07/3126;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV. stelt de door de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.P.M. Zwinkels, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

Voorzitter w.g. Zwinkels

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 april 2007

309-501.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak