Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA4654

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-04-2007
Datum publicatie
09-05-2007
Zaaknummer
200607650/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mvv-vereiste / artikel 8 EVRM

De rechtbank heeft overwogen dat indien de vreemdeling terugkeert naar haar land van herkomst om aldaar een mvv aan te vragen, haar bij de beslissing op die aanvraag zal worden tegengeworpen dat zij gebruik heeft gemaakt van valse personalia en dat zij daarvoor is veroordeeld (waarbij haar een onvoorwaardelijke taakstraf is opgelegd). Ten gevolge hiervan zal de te doorlopen mvv-procedure naar verwachting lange tijd in beslag nemen en het gezinsleven dat de vreemdeling en de hoofdpersoon hier te lande uitoefenen langdurig worden ontwricht, aldus de rechtbank. Door aldus te overwegen heeft de rechtbank miskend dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer uitspraak van 12 oktober 2004 in zaak no. 200403858/1, JV 2004/436) volgt, dat de minister bij de beantwoording van de vraag of het niet voldoen aan het mvv-vereiste kan worden tegengeworpen, mag afzien van toetsing aan artikel 8 van het EVRM, omdat in het kader van de behandeling van een aanvraag om verlening van een mvv wordt onderzocht of de verdragsbepaling tot toelating noopt indien daartoe anderszins geen aanleiding bestaat. Hiermee valt niet te rijmen dat reeds bij de beoordeling door de rechter van de vraag of het ontbreken van een mvv door de minister mocht worden tegengeworpen, betekenis wordt toegekend aan de beslissing die mogelijk op het in een mvv aanvraag neer te leggen verzoek om toelating zal worden genomen. Dat de minister in dit geval feitelijk wel aan artikel 8 van het EVRM heeft getoetst doet aan het vorenstaande niet af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/288
Ars Aequi RV20070050 met annotatie van W.L.M. Fleuren

Uitspraak

200607650/1.

Datum uitspraak: 27 april 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/29094 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 20 september 2006 in het geding tussen:

[vreemdeling]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 januari 2004 heeft appellant (hierna: de minister) een aanvraag van [vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 21 juni 2005 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 20 september 2006, verzonden op 21 september 2006, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 19 oktober 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 2 november 2006 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In grief 1 klaagt de minister dat de rechtbank hem ten onrechte niet heeft gevolgd in zijn oordeel dat het beroep van de vreemdeling op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) niet kan slagen. Daartoe betoogt hij dat, samengevat weergegeven, de wetgever met het stellen van het vereiste te beschikken over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) heeft beoogd te bewerkstelligen dat de beoordeling of de vreemdeling die een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd heeft ingediend voldoet aan de toelatingsvereisten, plaatsvindt zonder dat de vreemdeling hier te lande aanwezig is en dat bij die beoordeling ook acht wordt geslagen op voormeld artikel. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat in het geval van de vreemdeling sprake is van een uitzonderlijke situatie zodat het mvv-vereiste haar niet kan worden tegengeworpen en dat de minister ten onrechte voorbij is gegaan aan toetsing van artikel 8 van het EVRM middels de door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ontwikkelde criteria. Het niet voldoen aan inhoudelijke voorwaarden voor vergunningverlening vormt niet een zodanig uitzonderlijke omstandigheid dat het mvv-vereiste niet zou kunnen worden tegengeworpen, aldus de minister.

2.1.1. De rechtbank heeft overwogen dat indien de vreemdeling terugkeert naar haar land van herkomst om aldaar een mvv aan te vragen, haar bij de beslissing op die aanvraag zal worden tegengeworpen dat zij gebruik heeft gemaakt van valse personalia en dat zij daarvoor is veroordeeld (waarbij haar een onvoorwaardelijke taakstraf is opgelegd). Ten gevolge hiervan zal de te doorlopen mvv-procedure naar verwachting lange tijd in beslag nemen en het gezinsleven dat de vreemdeling en de hoofdpersoon hier te lande uitoefenen langdurig worden ontwricht, aldus de rechtbank.

Door aldus te overwegen heeft de rechtbank miskend dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer uitspraak van 12 oktober 2004 in zaak no. 200403858/1, JV 2004/436) volgt, dat de minister bij de beantwoording van de vraag of het niet voldoen aan het mvv-vereiste kan worden tegengeworpen, mag afzien van toetsing aan artikel 8 van het EVRM, omdat in het kader van de behandeling van een aanvraag om verlening van een mvv wordt onderzocht of de verdragsbepaling tot toelating noopt indien daartoe anderszins geen aanleiding bestaat. Hiermee valt niet te rijmen dat reeds bij de beoordeling door de rechter van de vraag of het ontbreken van een mvv door de minister mocht worden tegengeworpen, betekenis wordt toegekend aan de beslissing die mogelijk op het in een mvv aanvraag neer te leggen verzoek om toelating zal worden genomen. Dat de minister in dit geval feitelijk wel aan artikel 8 van het EVRM heeft getoetst doet aan het vorenstaande niet af. De grief slaagt.

2.2. De overige grieven hebben geen zelfstandige betekenis en behoeven derhalve geen bespreking.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van de minister van 21 juni 2005 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, in zoverre daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

2.3.1. In voormeld besluit heeft de minister overwogen dat hem niet is gebleken dat met de artikelen 9, 10, 18 en 24 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: het IVRK) is beoogd een uitbreiding te geven aan de verplichtingen die uit artikel 8 van het EVRM voortvloeien en dat ten aanzien van het beroep van de vreemdeling op het IVRK dan ook kan worden volstaan met een verwijzing naar hetgeen daaromtrent is overwogen. Gelet hierop mist het betoog van de vreemdeling dat de minister heeft verzuimd gemotiveerd in te gaan op hetgeen zij over voormelde artikelen van het IVRK heeft gesteld feitelijke grondslag. De beroepsgrond faalt.

2.3.2. Aan de overige bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden komt de Afdeling niet toe. Over die gronden

is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin doet zich de situatie voor, dat het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, onverbrekelijk samenhangen met hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding.

2.4. Gelet op het vorenoverwogene zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 21 juni 2005 alsnog ongegrond verklaren.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 20 september 2006 in zaak no. AWB 05/29094;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.P.M. Zwinkels, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

Voorzitter w.g. Zwinkels

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 april 2007

309-501.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak