Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA4505

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-04-2007
Datum publicatie
07-05-2007
Zaaknummer
200700421/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oordeel over ontvankelijkheid beroep tegen voortzetting bewaring / mogelijkheid hoger beroep

Anders dan appellante betoogt, biedt de tekst noch de geschiedenis van de totstandkoming van voormelde artikelen [84 en 95 van de Vw 2000] een aanknopingspunt voor het oordeel dat de mogelijkheid van hoger beroep niet is uitgesloten ter zake van het oordeel van de rechtbank over de ontvankelijkheid van een beroep tegen de voortzetting van de bewaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200700421/1.

Datum uitspraak: 20 april 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellante],

appellante,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/61115 van de rechtbank 's Gravenhage van 4 januari 2007 in het geding tussen:

appellante

en

de Minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 september 2006 is appellante in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 4 januari 2007, verzonden op 10 januari 2007, heeft de rechtbank ’s Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door appellante tegen de voortduring daarvan ingestelde beroep niet ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 15 januari 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 22 januari 2007 heeft de Minister van Justitie een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. De uitspraak van 4 januari 2007 is een uitspraak als bedoeld in artikel 96 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000). Daartegen staat ingevolge artikel 84, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met artikel 95, eerste lid, van de Vw 2000, geen hoger beroep open.

Appellante betoogt, samengevat weergegeven, dat artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000 niet aan kennisneming van het hoger beroep door de Afdeling in de weg staat, omdat de aangevallen uitspraak geen oordeel inhoudt omtrent een besluit of handeling als bedoeld in dat artikelonderdeel.

2.2. Anders dan appellante betoogt, biedt de tekst noch de geschiedenis van de totstandkoming van voormelde artikelen een aanknopingspunt voor het oordeel dat de mogelijkheid van hoger beroep niet is uitgesloten ter zake van het oordeel van de rechtbank over de ontvankelijkheid van een beroep tegen de voortzetting van de bewaring.

2.3. Voor zover appellante betoogt dat de Afdeling niettemin van het hoger beroep dient kennis te nemen, wordt overwogen dat voor kennisneming van een appél in weerwil van artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000 grond kan bestaan, indien sprake is van ernstige schending van eisen van goede procesorde, dan wel van fundamentele rechtsbeginselen, zodanig dat van een eerlijk proces geen sprake is. Hetgeen appellante heeft aangevoerd, biedt geen grond voor het oordeel dat daarvan sprake is.

2.4. De Afdeling is kennelijk onbevoegd van het hoger beroep kennis te nemen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart zich onbevoegd van het hoger beroep kennis te nemen.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin

Voorzitter w.g. Vonk

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2007

345

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak