Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA4192

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-05-2007
Datum publicatie
02-05-2007
Zaaknummer
200607914/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 september 2006 heeft verweerder geweigerd appellante een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer te verlenen. Dit besluit is op 5 oktober 2006 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 1.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2007, 45K
Milieurecht Totaal 2007/620
JOM 2007/730
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200607914/1.

Datum uitspraak: 2 mei 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 19 september 2006 heeft verweerder geweigerd appellante een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer te verlenen. Dit besluit is op 5 oktober 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 29 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op 31 oktober 2006, beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 april 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M.H.M. van der Aa, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellante heeft vergunning gevraagd voor een inrichting bestaande uit twee veehouderijen. De ene veehouderij is gevestigd aan de [locatie[ in de [gemeente] en de andere veehouderij is gevestigd aan de [locatie] in de [gemeente]. Appellante exploiteerde oorspronkelijk uitsluitend de veehouderij aan de [locatie] maar heeft in 2001 de veehouderij aan de [locatie] verworven. De afstand tussen de veehouderijen bedraagt hemelsbreed ongeveer 850 meter.

2.2.    Ingevolge artikel 1.1, vierde lid, tweede volzin, van de Wet milieubeheer worden als één inrichting beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen.

2.3.    Volgens vaste jurisprudentie zijn landbouwgronden geen onderdeel van de inrichting. Dat, zoals appellante heeft opgemerkt, de landbouwgronden van de veehouderijen aan elkaar grenzen betekent dan ook niet dat de (installaties van de) veehouderijen in elkaars onmiddellijke nabijheid liggen in de zin van artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer. Gezien de afstand tussen de veehouderijen is geen sprake van installaties die in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen. Reeds hierom kunnen de veehouderijen niet tezamen worden aangemerkt als één inrichting.

2.4.    Gelet op het voorgaande zou vergunningverlening conform de aanvraag in strijd zijn met artikel 1.1, vierde lid, samen met artikel 8.1 van de Wet milieubeheer. Verweerder heeft daarom terecht, zij het op andere gronden, geweigerd de gevraagde vergunning te verlenen.

2.5.    Het beroep is ongegrond.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Voorzitter, en mr. H.P.J.A.M. Hennekens en mr. C.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Schaafsma w.g. Van der Zijpp

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2007

262-493.