Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA4191

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-05-2007
Datum publicatie
02-05-2007
Zaaknummer
200607885/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 september 2006 heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een inrichting voor de aanvoer, selectie, opslag en afvoer per wegtransport van gebruikte (auto)banden op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 18 september 2006 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200607885/1.

Datum uitspraak: 2 mei 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats], [gemeente],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 8 september 2006 heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een inrichting voor de aanvoer, selectie, opslag en afvoer per wegtransport van gebruikte (auto)banden op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 18 september 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 25 oktober 2006, bij de

Raad van State ingekomen op 30 oktober 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 13 februari 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 april 2007, waar appellant in persoon en verweerder, vertegenwoordigd door ing. J.F.M. Schepen en A.J. Vodegel, beiden werkzaam bij de SRE Milieudienst regio Eindhoven, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [eigenaar], als partij gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Voor de inrichting is bij besluit van 13 januari 2004 krachtens de Wet milieubeheer een oprichtingsvergunning (hierna: de onderliggende vergunning) verleend voor onder meer het opslaan van 500 m3 (auto)banden.

   De bij het bestreden besluit verleende vergunning heeft onder meer betrekking op een wijziging van de indeling van het terrein door middel van de plaatsing van betonnen keerwanden, het parkeren van transportvoertuigen en containers op het terrein van de inrichting en het verlagen van de hoogte van de erfafscheiding aan de westzijde van de inrichting.

2.2.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

   Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.3.    Appellant betoogt dat de voor de inrichting geldende geluidgrenswaarden worden overschreden. Het geluidrapport dat deel uitmaakt van de aanvraag om vergunning is volgens hem ondeugdelijk. Hiertoe voert hij aan dat er inmiddels dichter bij de inrichting woningen zijn gelegen in vergelijking met de situatie waarvan in het geluidrapport is uitgegaan. Daarnaast is in het geluidrapport niet met alle werkzaamheden die door de mobiele kraan worden uitgevoerd rekening gehouden, evenmin als met het feit dat regelmatig meerdere mobiele kranen worden ingezet, aldus appellant.

2.3.1.    Uit bijlage 2 van het geluidrapport blijkt dat rekening is gehouden met alle akoestisch relevante objecten in de nabijheid van de inrichting. Verder blijkt uit het geluidrapport dat bij het bepalen van de door de inrichting te veroorzaken geluidbelasting alle relevante geluidbronnen zijn meegenomen. Er zijn dan ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het geluidrapport ondeugdelijk is. Gelet hierop en nu in het geluidrapport de conclusie wordt getrokken dat ook na doorvoering van de wijzigingen voldaan kan worden aan de voor de inrichting geldende geluidgrenswaarden, heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat de aan de vergunning verbonden geluidgrenswaarden naleefbaar zijn.

2.3.2.    Bij de onderliggende vergunning is vergunning verleend voor één mobiele kraan en bij het bestreden besluit is hierin geen wijziging aangebracht. Voor zover appellant vreest dat meerdere mobiele kranen worden ingezet, overweegt de Afdeling dat deze beroepsgrond geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en om die reden niet kan slagen. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de vergunning.

2.4.    Appellant voert aan dat de maximaal toelaatbare opslagcapaciteit ten onrechte is verviervoudigd ten opzichte van de onderliggende vergunning. Daarnaast stelt hij dat ten onrechte niet in de vergunning is voorgeschreven wat de maximale opslaghoogte is en op welke plaats binnen de inrichting (auto)banden mogen worden opgeslagen.

2.4.1.    Uit het dictum van het bestreden besluit blijkt dat vergunning is verleend voor een (auto)bandenopslag van maximaal 500 m3, hetgeen geen wijziging betreft ten opzichte van de onderliggende vergunning. Daarnaast is, in tegenstelling tot hetgeen appellant betoogt, de maximale opslaghoogte vastgelegd in vergunningvoorschrift 2.1.7. Verder blijkt uit de tekening die deel uitmaakt van de aanvraag, die blijkens het dictum van het bestreden besluit deel uitmaakt van de verleende vergunning, dat de (auto)banden alleen binnen de compartimenten mogen worden opgeslagen en niet langs de betonnen keerwanden. De beroepsgronden slagen niet.

2.5.    Appellant betoogt dat de betonnen keerwanden met een hoogte van 2,5 meter en de betonnen keerwand aan de westzijde van de inrichting met een hoogte van 2 meter visuele hinder veroorzaken, aangezien de landelijke omgeving hierdoor wordt ontsierd. Het verlagen van de erfafscheiding van 1,80 meter naar 1,50 meter leidt volgens appellant eveneens tot visuele hinder, omdat de containers en de vrachtwagens dan nog verder boven de omheining zullen uitsteken. Ten slotte betoogt appellant dat verweerder ter voorkoming van visuele hinder ten onrechte niet heeft voorgeschreven dat een groenstrook dient te worden aangelegd, hetgeen wel was opgenomen in de onderliggende vergunning.

2.5.1.    De vraag of zich visuele hinder voordoet komt primair aan de orde in het kader van planologische regelingen. Daarnaast blijft in het kader van verlening krachtens de Wet milieubeheer van een vergunning ruimte voor een aanvullende toets. Uit de aanvraag om vergunning blijkt dat groenblijvende beplanting wordt aangebracht met een minimale hoogte van 2 meter. Gelet hierop en gelet op de afstand van de woning van appellant tot de inrichting en het verhandelde ter zitting is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zich niet zodanige visuele hinder voordoet, dat dit zou moeten leiden tot het weigeren van de vergunning of tot het stellen van nadere voorschriften.

2.6.    Appellant is beducht voor parkeeroverlast. Hiertoe voert hij aan dat de inrichting over onvoldoende parkeergelegenheid beschikt voor 25 containers en 4 transportvoertuigen.

   Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting beschikt de inrichting over voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Derhalve heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het in werking zijn van de inrichting niet tot onaanvaardbare parkeeroverlast leidt.

2.7.    Appellant stelt dat onduidelijk is wat moet worden verstaan onder "overig materieel" zoals dat op het terrein van de inrichting aanwezig mag zijn op grond van de bij het bestreden besluit verleende vergunning. Daarnaast voert appellant aan dat de openingstijden van de inrichting te ruim zijn en dat regelmatig buiten de openingstijden vrachtwagens arriveren bij en vertrekken vanaf de inrichting. Ten slotte wordt volgens appellant vaker dan twaalf keer per jaar afgeweken van de openingstijden.

   Wat betreft het overig materieel en de openingstijden zijn bij de bij het bestreden besluit verleende vergunning geen wijzigingen aangebracht.

Aangezien dit geding uitsluitend betrekking heeft op wijzigingen die bij het bestreden besluit zijn vergund, kunnen deze beroepsgronden in dit geding niet aan de orde komen.

   Voor zover appellant vreest dat de aan de vergunning verbonden voorschriften niet worden nageleegd, overweegt de Afdeling dat deze beroepsgrond geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en om die reden niet kan slagen. Zoals reeds is overwogen in rechtsoverweging 2.3.2 voorziet de Algemene wet bestuursrecht in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de voorschriften die aan een vergunning zijn verbonden.

2.8.    Het beroep is ongegrond.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Voorzitter, en mr. H.P.J.A.M. Hennekens en mr. C.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Schaafsma w.g. Van der Zijpp

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2007

262-493.