Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA4189

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-05-2007
Datum publicatie
02-05-2007
Zaaknummer
200607314/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij brief van 10 maart 2006 heeft verweerder het verzoek van [appellant] afgewezen om bestuursdwang toe te passen vanwege het uitblijven van een sanering op grond van de Wet bodembescherming op de locatie [locatie] te Amsterdam.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 18.14
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2007/2372
Module Ruimtelijke ordening 2007/847
JBO 2007/94 met annotatie van D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200607314/1.

Datum uitspraak: 2 mei 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Amsterdam, en de stichting "Stichting Monumentenbehoud Nederland", gevestigd te Amsterdam,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij brief van 10 maart 2006 heeft verweerder het verzoek van [appellant] afgewezen om bestuursdwang toe te passen vanwege het uitblijven van een sanering op grond van de Wet bodembescherming op de locatie [locatie] te Amsterdam.

Bij besluit van 30 augustus 2006, verzonden op 30 augustus 2006, heeft verweerder het door appellanten hiertegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 oktober 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 4 januari 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten en verweerder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 maart 2007, waar appellanten, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. drs. Sibeijn en ing. K. Molenaar, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting door appellanten nog stukken in het geding gebracht.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 95, eerste lid, van de Wet bodembescherming is, voor zover van belang, met betrekking tot de handhaving van het bij of krachtens deze wet bepaalde artikel 18.14 van de Wet milieubeheer van toepassing.

   Ingevolge artikel 18.14, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan een belanghebbende aan een bestuursorgaan dat bevoegd is tot toepassing van bestuursdwang, oplegging van een last onder dwangsom of intrekking van een vergunning of ontheffing, verzoeken een daartoe strekkende beschikking te geven.

   Artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

   In artikel 1:3, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat onder beschikking wordt verstaan: een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan.

   Ingevolge het derde lid van dit artikel wordt onder aanvraag verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.

2.2.    Het geschil spitst zich toe op de vraag of [appellant] belanghebbende is bij een beslissing op zijn verzoek handhavend op te treden tegen het uitblijven van een sanering op grond van de Wet bodembescherming op de [locatie] te Amsterdam. Bij beantwoording van deze rechtsvraag is, naast de afstand van de woning van [appellant] tot de verontreinigde locatie, van belang of de bodemverontreiniging als mobiel of immobiel kan worden gekwalificeerd.

2.3.    De afstand tussen de woning van [appellant] gelegen aan [locatie 1] te Amsterdam en de saneringslocatie bedraagt, in tegenstelling tot hetgeen appellanten ter zitting naar voren hebben gebracht, ruim 300 meter. Volgens het rapport "verkennend bodemonderzoek [locatie] Amsterdam" en het rapport "nader bodemonderzoek [locatie] Amsterdam" van 8 april 2005 respectievelijk 15 juni 2005, beide rapporten zijn opgesteld door Milieu adviesbureau Spijker B.V., betreft de op de desbetreffende locatie aangetroffen verontreiniging een immobiele verontreiniging met zware metalen en PAK’s. Voor verspreiding van bodemverontreiniging behoeft volgens verweerder dan ook niet te worden gevreesd. De Afdeling ziet in de door appellanten ter zitting overgelegde brief van 23 maart 2007 van VM Vusse Milieuadvies geen aanleiding om aan de juistheid van de kwalificatie van de geconstateerde verontreiniging te twijfelen.

   Gezien de aard van de verontreiniging in relatie tot de afstand van de woning van [appellant] tot deze saneringslocatie kan [appellant] niet als belanghebbende worden aangemerkt bij de beslissing op zijn handhavingsverzoek. Het desbetreffende verzoek is dan ook niet aan te merken als een verzoek in de zin van artikel 18.14, eerste lid, van de Wet milieubeheer in samenhang bezien met artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zodat de afwijzing van dit verzoek geen beschikking is in de zin van het tweede lid van het laatstgenoemde artikel.

   Nu de brief van 10 maart 2006 geen beschikking is, konden [appellant] en reeds hierom ook de Stichting monumentenbehoud Nederland geen ontvankelijk bezwaar indienen.

2.4.    Gezien het bovenstaande had verweerder het bezwaarschrift hoe dan ook niet inhoudelijk kunnen beoordelen. Derhalve is de Afdeling onder aanvulling van gronden van oordeel dat het bezwaarschrift van appellanten terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Hetgeen voor het overige in beroep is aangevoerd behoeft geen bespreking.

2.5.    Het beroep is ongegrond.

2.6.    Voor een veroordeling in de proceskosten van verweerder bestaat geen aanleiding. Voor zover verweerder heeft verzocht om appellanten in de proceskosten te veroordelen, overweegt de Afdeling dat een natuurlijke persoon ingevolge artikel 8:75, eerste lid, derde volzin, van de Algemene wet bestuursrecht slechts in de proceskosten kan worden veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht is sprake, indien op grond van bijzondere omstandigheden kan worden vastgesteld dat ten tijde van het instellen van het beroep het voor appellanten evident was dat van de ingestelde procedure geen positief resultaat viel te verwachten. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat dit in deze procedure voor appellanten bij voorbaat duidelijk was. Voor een veroordeling in de proceskosten van appellanten bestaat dan ook geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en mr. H.P.J.A.M. Hennekens en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, Leden, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Drouen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2007

375