Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA4188

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-05-2007
Datum publicatie
02-05-2007
Zaaknummer
200606567/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 juni 2006 heeft verweerder aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd vanwege dreigende overtreding van de ingevolge het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit) voor een inrichting aan de [locatie] te [plaats] geldende geluidvoorschriften.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:21
Algemene wet bestuursrecht 5:32
Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2007/3867
JOM 2007/725
JOM 2007/496
OGR-Updates.nl 1001410
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200606567/2.

Datum uitspraak: 2 mei 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

"De Lindeboom B.V.", gevestigd te [plaats],

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Baarle Nassau,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 8 juni 2006 heeft verweerder aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd vanwege dreigende overtreding van de ingevolge het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit) voor een inrichting aan de [locatie] te [plaats] geldende geluidvoorschriften.

Bij besluit van 10 oktober 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft verweerder het door appellanten hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 11 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op 12 oktober 2006, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 10 november 2006.

Bij brief van 17 januari 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 april 2007, waar [appellant] in persoon en bijgestaan door mr. J. Jonk, advocaat te Nieuwegein, en [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M.J. van de Crommenacker, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellanten hebben ter zitting gesteld dat bij de behandeling van het beroep geen acht mag worden geslagen op een aantal door verweerder overgelegde documenten, omdat verweerder zich bij het nemen van het bestreden besluit niet op deze documenten heeft beroepen.

   De door appellanten bedoelde documenten zijn op de zaak betrekking hebbende stukken, die verweerder op grond van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht aan de Afdeling moet zenden. Er is - anders dan appellanten kennelijk veronderstellen - geen rechtsregel die verplicht tot het in de beroepsprocedure buiten beschouwing laten van op de zaak betrekking hebbende stukken wanneer een bestuursorgaan zich bij het nemen van het bestreden besluit niet op deze stukken heeft beroepen.

2.2.    De inrichting is een café-restaurant met een feestzaal. Verweerder heeft geconcludeerd dat bij met name het ten gehore brengen van mechanische of live muziek in de feestzaal, de voor deze inrichting ingevolge het Besluit geldende geluidgrenswaarden in de nachtperiode worden overschreden zowel binnen als bij de gevels van woningen in de omgeving van de inrichting. De bij het bestreden besluit gehandhaafde last strekt tot het voorkomen van dergelijke overtredingen.

2.3.    Appellanten betogen dat ten onrechte een last is opgelegd aan [appellant], omdat de inrichting wordt gedreven door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "De Lindeboom B.V." waarvan [appellant] slechts directeur is.

   Dit betoog slaagt niet. Ter zitting is komen vast te staan dat [appellant] enig aandeelhouder en enig directeur is van de desbetreffende rechtspersoon en de dagelijkse activiteiten in de inrichting uitoefent dan wel daaraan leiding geeft. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 22 maart 1995 in zaak no. E03.94.0120 en E03.94.0275, AB 1995, 538) kan niet alleen aan de rechtspersoon die de inrichting drijft, maar tevens aan degene die feitelijk leiding geeft aan de verboden gedraging een last onder dwangsom worden opgelegd. In zoverre bestond er voor verweerder geen beletsel om aan [appellant] een last onder dwangsom op te leggen.

2.4.    Appellanten betogen vervolgens dat ten onrechte een zogenoemde preventieve last onder dwangsom is opgelegd. Volgens hen heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld, nu niet door middel van metingen een overtreding van de geluidvoorschriften is geconstateerd. Voorts miskent verweerder dat in de inrichting een geluidbegrenzer wordt gebruikt en heeft hij de constatering dat sprake is van klaarblijkelijk gevaar van overtreding  onvoldoende onderzocht en gemotiveerd, aldus appellanten.

2.4.1.    Uit de artikelen 5:21 en 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht volgt, voor zover hier van belang, dat bestuursdwang kan worden toegepast of een last onder dwangsom kan worden opgelegd indien een overtreding is begaan. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling kan echter ook handhavend worden opgetreden indien sprake is van een gevaar van een overtreding die met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal plaatsvinden.

2.4.2.    Verweerder heeft bij het opleggen van de last onder meer het geluidonderzoek uit 2004 van Oranjewoud (uitgevoerd in opdracht van verweerder) betrokken. Uit dit onderzoek blijkt dat indien geen maatregelen worden getroffen, de ingevolge het Besluit geldende geluidgrenswaarden zullen worden overschreden indien binnen de inrichting in de nachtperiode een geluidniveau van meer dan ongeveer 80 dB(A) wordt veroorzaakt. Deze conclusie wordt eveneens getrokken in de geluidonderzoeken van Cauberg-Huygen uit 2004 en van Kupers en Niggebrugge uit 2005 (beide uitgevoerd in opdracht van appellanten). Uit de twee laatstgenoemde onderzoeken blijkt dat het gewenste geluidniveau in de feestzaal 95 dB(A) bedraagt. Verder is blijkens de stukken op 16 januari 2005 door Oranjewoud een indicatieve geluidmeting verricht, waarbij in de nachtperiode overschrijdingen van de grenswaarden van 7 tot 16 dB(A) zijn gemeten.

   Het is tussen partijen op zichzelf niet in geschil dat wanneer in de feestzaal live muziek ten gehore wordt gebracht -  ten aanzien waarvan het blijkens het verhandelde ter zitting niet mogelijk is om de geluidbegrenzer te gebruiken - een hoger geluidniveau optreedt dan 80 dB(A). Evenmin is in geschil dat appellanten een dergelijk gebruik van de feestzaal wensen te maken. Ter zitting hebben appellanten in dit verband opgemerkt dat zij de last onder dwangsom bestrijden omdat deze last - en daarmee in feite de naleving van de geluidgrenswaarden van het Besluit - de exploitatie van de inrichting en met name de feestzaal te zeer beperkt. Naar het oordeel van de Afdeling kon verweerder, ook als de geluidmeting op 16 januari 2005 niet voldoende zou zijn om een overtreding vast te stellen, in ieder geval vaststellen dat gezien het nagestreefde gebruik van de inrichting sprake is van een gevaar van een overtreding die met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal plaatsvinden. Gelet hierop was hij bevoegd handhavend op te treden vanwege (dreigende) overtreding van de ingevolge het Besluit geldende geluidvoorschriften.

2.5.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.6.    Volgens appellant is handhavend optreden in dit geval onevenredig omdat - kort weergegeven - de overschrijdingen van de geluidgrenswaarden in de naast de inrichting gelegen woning aan de Stationsstraat 7 mede zouden worden veroorzaakt door verbouwingen waarvoor ten onrechte bouwvergunningen zijn verleend of die in strijd met het Bouwbesluit 2003 zouden zijn uitgevoerd. Zij beroepen zich tot slot op het zogenoemde gelijkheidsbeginsel.

2.6.1.    Appellanten hebben niet nader aangeduid in welke situatie verweerder in met de huidige zaak gelijke gevallen ongelijk zou hebben gehandeld. Ook overigens bestaan daarvoor geen aanwijzingen. In zoverre is er geen grond voor het oordeel dat verweerder van handhavend optreden had behoren af te zien.

2.6.2.    Uit het geluidonderzoek uit 2004 van Oranjewoud blijkt dat, behalve bij de woning aan de [locatie], ook bij andere woningen sprake is van een (dreigende) overschrijding van de geluidgrenswaarden indien geen maatregelen worden getroffen en een hoog geluidniveau in de inrichting optreedt. Ook als de overschrijding van de grenswaarden in de woning aan de [locatie] buiten beschouwing zou worden gelaten, is verweerder dus bevoegd en in beginsel gehouden om handhavend op te treden. Gelet hierop kunnen de gronden inzake de verbouwing van deze woning verder onbesproken blijven. Nu ook overigens niet is gebleken van bijzondere omstandigheden, op grond waarvan behoort te worden afgezien van handhaving, heeft verweerder de last onder dwangsom op goede gronden opgelegd en in bezwaar op goede gronden gehandhaafd.

2.7.    Het beroep is ongegrond.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Voorzitter, en mr. H.P.J.A.M. Hennekens en mr. C.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Schaafsma w.g. Van der Zijpp

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2007

262-493.