Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA4183

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-05-2007
Datum publicatie
02-05-2007
Zaaknummer
200604316/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 mei 2006 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een scheepsreparatie en constructiebedrijf, gelegen aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 25 mei 2006 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200604316/1

Datum uitspraak: 2 mei 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], allen wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Dongeradeel,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 18 mei 2006 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een scheepsreparatie en constructiebedrijf, gelegen aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 25 mei 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 30 mei 2006, bij de Raad van State ingekomen op 12 juni 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 3 augustus 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 26 oktober 2006. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 februari 2007, waar verweerder, vertegenwoordigd door M. Kanger en S. Popma, beiden ambtenaar van de gemeente, is verschenen. Voorts is als partij gehoord vergunninghouder, in persoon, bijgestaan door mr. E. van der Hoeven.

2.    Overwegingen

2.1.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

   Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.2.    Het beroep van appellanten is voor een deel gebaseerd op de verwachting dat de aan de vergunning verbonden voorschriften niet worden nageleefd. Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en kan om die reden niet slagen. Voor zover appellanten van mening zijn dat vergunninghouder niet voldoet aan de uit de vergunning voortvloeiende eisen, staat voor hen de mogelijkheid open verweerder op dit punt om handhaving van de vergunning te verzoeken. Tegen het op een dergelijk verzoek te nemen besluit kunnen appellanten rechtsmiddelen aanwenden.

2.3.    Appellanten betogen dat met de vergunning het gebruik van losse stalen platen op het terrein en bij de oprit wordt voortgezet, hetgeen geluidhinder tot gevolg heeft.

   Ingevolge voorschrift 2.7 moet de rijvloer op het terrein van de inrichting ten behoeve van het transport en laden/lossen vlak afgewerkt zijn.

   De Afdeling stelt vast dat dit voorschrift inhoudt dat het gebruik van losse stalen platen niet is toegestaan. Het beroepsonderdeel mist feitelijke grondslag.

2.4.    Appellanten voeren aan dat de gevel van het bedrijfspand van de inrichting onvoldoende geluidisolerend is en geluidlekken heeft. Zij stellen dat bouwkundige aanpassingen aan het pand noodzakelijk zijn. Volgens hen is het nodig dat de coördinatie met de bouwkundige aanpassingen in de vergunning wordt vastgelegd.

2.4.1.    Voor zover het beroepsonderdeel gericht is tegen de hoogte van in de voorschriften 2.1 en 2.2 gestelde geluidgrenswaarden, overweegt de Afdeling dat verweerder zich heeft gebaseerd op de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening. In het bestreden besluit is ingegaan op de afweging die hij daarbij heeft gemaakt. In het deskundigenbericht is ingegaan op de gehanteerde uitgangspunten en het bij de aanvraag behorende akoestisch rapport. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de gestelde geluidgrenswaarden toereikend zijn om geluidhinder te voorkomen dan wel voldoende te beperken.

   Met betrekking tot de eventuele aanpassingen van de inrichting overweegt de Afdeling dat de Wet milieubeheer geen bepaling bevat op grond waarvan in een milieuvergunning voorschriften kunnen worden gesteld om de coördinatie met de in een eventueel benodigde bouwvergunning gestelde verplichtingen te bevorderen.

   Wat betreft de inpandige werkzaamheden in de inrichting hebben appellanten gewezen op geluidlekken en andere gebreken in de staat van onderhoud van de inrichting. De Afdeling stelt vast dat in de berekeningen van de geluidbelasting in het bij de aanvraag behorende akoestisch rapport rekening is gehouden met noodzakelijke geluidisolerende maatregelen. In voorschrift 1.1 is bepaald dat het rapport deel uitmaakt van de vergunning. Verder is in voorschrift 1.2 bepaald dat de inrichting in goede staat van onderhoud moet verkeren. Gelet op het vorenstaande en in aanmerking genomen het deskundigenbericht is naar het oordeel van de Afdeling voldoende aannemelijk, dat de werkzaamheden in het pand van de inrichting aan de gestelde geluidgrenswaarden kunnen voldoen. Het beroepsonderdeel treft geen doel.

2.5.    Verder hebben appellanten gesteld dat er meer dan 2 keer per week een verkeersbeweging is van vrachtverkeer.

   Zoals hiervoor is aangegeven, maakt het akoestisch rapport deel uit van de vergunning. Aangezien in het akoestisch rapport is uitgegaan van maximaal 2 vrachtauto's per week, heeft de vergunning op dit aantal betrekking. Het beroepsonderdeel treft geen doel.

2.6.    Voorts hebben appellanten betoogd dat het gebruik van de heftruck niet voldoet aan de geluidnormen.

   In de aanvraag om vergunning is het gebruik van een LPG-heftruck aangevraagd. In het akoestisch rapport is aangegeven dat gedurende een klein deel van de bedrijfstijd van een heftruck gebruik wordt gemaakt. Deze moet ingevolge voorschrift 12.10 zijn voorzien van een doelmatige geluiddemper. In het deskundigenbericht is aangegeven dat het aangevraagde, beperkte gebruik van de heftruck mogelijk is binnen de gestelde geluidgrenswaarden. Aangezien niet is gebleken dat het deskundigenbericht op dit punt ondeugdelijk is, is de Afdeling van oordeel dat verweerder terecht mede voor het gebruik van een LPG-heftruck vergunning heeft verleend. De beroepsgrond treft geen doel.

2.7.    Het beroep is ongegrond.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, Voorzitter, en mr. Ch.W. Mouton en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Melse

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2007

191-518