Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA4181

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-05-2007
Datum publicatie
02-05-2007
Zaaknummer
200608103/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 maart 2005 heeft het dagelijks bestuur van het Waterschap Fryslân (hierna: het dagelijks bestuur) aan appellant € 6.321,00 aan schadevergoeding toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2007, 75
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200608103/1.

Datum uitspraak: 2 mei 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/2007 van de rechtbank Leeuwarden van 29 september 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het dagelijks bestuur van het Waterschap Fryslan.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 21 maart 2005 heeft het dagelijks bestuur van het Waterschap Fryslân (hierna: het dagelijks bestuur) aan appellant € 6.321,00 aan schadevergoeding toegekend.

Bij besluit van 6 oktober 2005 heeft het dagelijks bestuur het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 september 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 7 november 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 4 december 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 15 december 2006 heeft het dagelijks bestuur van antwoord gediend.

Bij besluit van 11 januari 2007 heeft het dagelijks bestuur het door appellant gemaakte bezwaar wederom ongegrond verklaard.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 april 2007, waar appellant, bijgestaan door mr. J. Bonnema, advocaat te Leeuwarden, is verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Nadeelcompensatieverordening Wetterskip Fryslân van 24 juni 2004 (hierna: de verordening) kent het dagelijks bestuur aan degene die schade lijdt of zal lijden als gevolg van rechtmatige publiekrechtelijke besluiten of handelingen van het waterschap op verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van belanghebbende behoort te blijven en de vergoeding van die schade niet of niet voldoende anderszins is verzekerd.

2.2.    Appellant heeft het dagelijks bestuur verzocht om vergoeding van schade aan zijn woning aan de [locatie] te [plaats], ontstaan door veranderingen in de waterhuishouding in de periode 1994-1995 in verband met de oprichting van een boerderij op een naastgelegen perceel.

   Het bij het besluit van 6 oktober 2005 gehandhaafde besluit op dat verzoek is genomen op advies van de schadecommissie van het Wetterskip Fryslân (hierna: de schadecommissie) van 2 juli 2004.

2.3.    Aan dat besluit heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat de door appellant gestelde schade aan de fundering van de woning in beperkte mate het gevolg is van peilverlagingen in 1986 en 1994. Volgens berekeningen van de schadecommissie, wier advies het heeft overgenomen, is de fundering van de woning ten gevolge van peilaanpassingen ook zonder deze handelingen in 2005 volledig aangetast.

   Peilaanpassing vindt periodiek plaats bij zettinggevoelige bodems, zoals in veengebieden, om ervoor te zorgen dat het waterpeil gelijke tred houdt met de autonome daling van het maaiveld. De daaruit voortvloeiende schade behoort volgens het dagelijks bestuur tot het normaal maatschappelijk risico en komt voor rekening van de eigenaar.

   Bij peilverlaging wordt de drooglegging vergroot ten behoeve van, bijvoorbeeld, verbetering van de productieomstandigheden voor de landbouw. Hierdoor wordt met name in veengebieden het proces van de maaivelddaling en van verlaging van de grondwaterstand versneld.

   In zoverre dit laatste tot gevolg heeft dat appellant eerder de fundering van zijn woning heeft moeten herstellen, komen de daarmee gepaard gaande kosten volgens het dagelijks bestuur voor vergoeding in aanmerking. Nu appellant ten gevolge van peilverlagingen zes jaar eerder herstelmaatregelen heeft moeten nemen, komen de hiermee gepaard gaande kosten voor vergoeding in aanmerking. Op de periode van vervroeging is 2,5 jaar in mindering gebracht wegens normaal maatschappelijk risico. Het dagelijks bestuur heeft het aandeel van het waterschap in de door appellant gestelde schade overeenkomstig het advies van de schadecommissie op 9,8% gesteld.

2.4.    De rechtbank heeft, voor zover thans van belang, overwogen dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat het advies van de schadecommissie, dat het dagelijks bestuur aldus heeft gevolgd, wat betreft wijze van totstandkoming of inhoud zodanige gebreken bevat, dat het dagelijks bestuur zijn besluit daar niet op mocht baseren.

   Wel heeft het dagelijks bestuur zich volgens haar ten onrechte niet beperkt tot schade die aan de woning van appellant was opgetreden als gevolg van peilverlaging in 1994. Schade die mogelijk het gevolg is van peilverlagingen die hebben plaatsgevonden, voordat appellant de woning in eigendom verkreeg, moet volgens de rechtbank buiten beschouwing blijven. De rechtbank heeft hieraan echter geen gevolgen verbonden, omdat dit mogelijk tot een lager bedrag aan schadevergoeding zou leiden en het instellen van beroep voor appellant volgens haar niet tot een nadeliger positie mag leiden.

   De rechtbank heeft het beroep van appellant gegrond verklaard en het besluit van 6 oktober 2005 vernietigd, in zoverre het dagelijks bestuur daarbij niet deugdelijk heeft gemotiveerd, waarom een korting van 2,5 jaar vanwege normaal maatschappelijk risico is aangewezen.

2.5.    Appellant betoogt allereerst dat de rechtbank aldus heeft miskend dat hij in zijn belangen is geschaad, doordat het dagelijks bestuur zijn verzoek pas ter advisering aan de schadecommissie heeft voorgelegd, toen de woning al van een nieuwe fundering was voorzien, zodat de schadecommissie de situatie van voor herstel heeft moeten reconstrueren en hij niet meer in de gelegenheid is geweest de aan de herstelplannen ten grondslag liggende gegevens, in het bijzonder de mate van droogstand van de houten funderingspalen, te bestijden.

2.5.1.    Dat betoog slaagt niet. De rechtbank heeft terecht door appellant niet aannemelijk gemaakt geacht dat hij door de gang van zaken in een nadeliger positie is gebracht. Het dagelijks bestuur heeft gebruik gemaakt van gegevens, gebaseerd op metingen, neergelegd in rapporten van Quanat uit 2001 en Fugro uit 2002. Bij brief van 7 december 2004 heeft de schadecommissie aan appellant uitgelegd, hoe het oorspronkelijke vloerpeil is gereconstrueerd en hoe dit aan de hand van in de muren aanwezige keilbouten viel te controleren. Op 28 januari 2005 is een controlemeting uitgevoerd, die de eerdere aannames bevestigde. Daarnaast zijn peilen en grondwaterstanden bij de woning van appellant gemeten vanaf mei 2001, derhalve voor het herstel van de fundering. In hoofdstuk 3 van het advies staat voorts beschreven, hoe het verloop van de peilen en de gemiddelde grondwaterstand moeten zijn geweest. Vervolgens is berekend, hoe de aantasting van de houten funderingspalen zonder en met peilverlagingen is verlopen op grond van het verband tussen droogstand en houtrotsnelheid en is het aandeel in door de peilverlaging in 1994 toegebrachte schade berekend.

   Appellant heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die tot het oordeel kunnen leiden dat het dagelijks bestuur niet op het advies van de schadecommissie mocht afgaan en dat de gegevens waarop de reconstructie berust en de wijze waarop deze tot stand is gekomen, onjuist zijn. Dat de gegevens voor hem, naar hij stelt, niet controleerbaar en verifieerbaar zijn, is daarvoor niet voldoende.

2.6.    Appellant klaagt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het door het dagelijks bestuur gehanteerde uitgangspunt dat schade die het gevolg is van peilaanpassingen wegens daling van de grondwaterstand die samenhangt met autonome maaivelddaling valt binnen het normaal maatschappelijk risico, onjuist is. Daartoe stelt hij dat peilaanpassingen evenmin als peilverlagingen, noodzakelijkerwijs zijn ingegeven door natuurlijke maaivelddaling, maar veeleer door landbouwbelang.

2.6.1.    Ook dit betoog faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraken van 9 augustus 1996 in zaak no. G03.94.0105 AB 1996, 434 en 16 november 2005 in zaak no. 200503017/1), mag schade ten gevolge van peilaanpassingen die noodzakelijk zijn vanwege de natuurlijke daling van het maaiveld tot het normaal maatschappelijk risico worden gerekend. De rechtbank heeft derhalve het door het dagelijks bestuur gehanteerde uitgangspunt dat alleen die schade die het gevolg is van peilverlaging, de verlaging van slootwaterpeilen, die verder gaat dan nodig in verband met de maaivelddaling, voor vergoeding in aanmerking komt, terecht niet rechtens onjuist bevonden.

2.6.2.    Voor zover appellant beoogt te betogen dat de peilverlagingen die ten behoeve van de onderneming van zijn buurman zijn doorgevoerd onrechtmatig zijn, omdat zijn belangen daarbij niet, althans niet voldoende, zijn meegewogen, nu doeltreffende compenserende maatregelen ter voorkoming van droogstand achterwege zijn gebleven, treft dit geen doel reeds omdat alleen schade voor vergoeding krachtens de Verordening in aanmerking komt die het gevolg is van rechtmatige besluiten of handelingen van het waterschap.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient, voor zover aangevallen, te worden bevestigd.

2.8.    Het hoger beroep moet voorts worden geacht als beroep mede te zijn gericht tegen het ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank door het dagelijks bestuur genomen besluit van 11 januari 2007, waarbij het door appellant tegen het besluit van 21 maart 2005 gemaakte bezwaar, voor zover dit ziet op de toepassing van een korting van 2,5 jaar, wederom ongegrond is verklaard.

2.9.    Het dagelijks bestuur heeft in het nieuwe besluit van 11 januari 2007  uiteengezet dat wonen in een veengebied het risico van schade door peilbeheer inhoudt. Gelet hierop, acht het redelijk een korting toe te passen op de vergoeding van nadelige gevolgen van peilwijzigingen die verder gaan dan nodig in verband met de autonome maaivelddaling. De korting wordt berekend aan de hand van de resterende levensverwachting van een woning met houten paalfundering op veengrond op grond van autonome maaivelddaling en het aantal jaren waarin de houten paalfundering eerder toe is aan vervanging ten gevolge van peilverlagingen. Indien de resterende levensverwachting zonder peilverlagingen al gering was, acht het dagelijks bestuur het gerechtvaardigd om een relatief hoge korting toe te passen, omdat ook zonder ingrepen van het waterschap de fundering reeds op korte termijn vervangen had moeten worden. Gelet op de omstandigheden dat de fundering van de woning van appellant in 2005 volledig zou zijn aangetast en appellant zes jaar eerder ten gevolge van peilverlagingen herstelmaatregelen heeft moeten nemen, acht het dagelijks bestuur een korting van 2,5 jaar wegens normaal maatschappelijk risico redelijk.

2.10.    Appellant heeft geen concrete bezwaren tegen deze nadere motivering naar voren gebracht. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat dit besluit aldus niet berust op een draagkrachtige motivering.

2.11.    De conclusie is dat het beroep tegen het besluit van 11 januari 2007 evenzeer ongegrond is.

2.12.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen;

II.    verklaart het beroep tegen het besluit van 11 januari 2007 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. B.J. van Ettekoven en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Planken

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2007

299