Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA4180

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-05-2007
Datum publicatie
02-05-2007
Zaaknummer
200606426/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBUTR:2006:AY3638, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 oktober 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (hierna: het college) geweigerd aan [wederpartij] vrijstelling en reguliere bouwvergunning eerste fase te verlenen voor het bouwen van een appartementengebouw op het achtererf van een café met bovenwoningen aan [locaties] te Utrecht (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200606426/1.

Datum uitspraak: 2 mei 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], allen wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. SBR 06/1359 van de rechtbank Utrecht van 10 juli 2006 in het geding tussen:

[wederpartij], gevestigd te [plaats]

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 10 oktober 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (hierna: het college) geweigerd aan [wederpartij] vrijstelling en reguliere bouwvergunning eerste fase te verlenen voor het bouwen van een appartementengebouw op het achtererf van een café met bovenwoningen aan [locaties] te Utrecht (hierna: het perceel).

Bij besluit van 6 februari 2006 heeft het college het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 juli 2006, verzonden op 18 juli 2006, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 6 februari 2006 vernietigd en het college opgedragen binnen zes weken na bekendmaking van de uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 25 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 29 augustus 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 25 september 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij besluit van 25 september 2006 heeft het college, gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank, opnieuw beslist op het door [wederpartij] ingestelde bezwaar, dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en [wederpartij] medegedeeld dat van rechtswege bouwvergunning is verleend.

Bij brief van 11 oktober 2006 heeft het college, gevolg gevend aan artikel 58 van de Woningwet, appellanten in kennis gesteld van de van rechtswege verleende bouwvergunning. Daartegen hebben appellanten  bezwaar gemaakt.

Bij brief van 7 november 2006 heeft [wederpartij] een reactie ingediend.

Bij brieven van 9 november 2006, 18 november 2006, 20 november 2006 en 28 november 2006 hebben appellanten een nadere reactie ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van  appellanten en [wederpartij]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 maart 2007, waar [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door mr. H.P. Keyzer, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. J.A. Dupree, advocaat te Hilversum, daar gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 56a, tweede lid, van de Woningwet mag de bouwvergunning eerste fase slechts worden geweigerd en moet deze worden geweigerd indien een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel b, c, d of e, van toepassing is, met dien verstande dat onderdeel b van dat lid slechts van toepassing is voor zover de daar bedoelde voorschriften van stedenbouwkundige aard zijn.

   Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien het bouwen in strijd is met het bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

   Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Zuilen" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Woongebied (W)".

   Ingevolge artikel 6A, aanhef en onder 1, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de op de bestemmingsplankaart voor "Woongebied (W)" aangewezen gronden bestemd voor het wonen.

   Ingevolge artikel 6C, eerste lid, onder b, voor zover thans van belang, mag het bebouwingspercentage bij eengezinshuizen maximaal 50%, en bij meergezinshuizen 100% bedragen.

   Ingevolge artikel 2 wordt onder eengezinshuis verstaan: een gebouw, dat uitsluitend één woning omvat.

   Ingevolge artikel 2 wordt onder meergezinshuis verstaan: een gebouw, dat twee of meer geheel of gedeeltelijk boven en/of naast elkaar gelegen woningen omvat.

    Ingevolge artikel 2 wordt onder bebouwingspercentage verstaan een op de bestemmingskaart of in de voorschriften aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van een terrein aangeeft dat, per bouwperceel, maximaal mag worden bebouwd.

2.2.    Appellanten betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het bouwplan niet in strijd is met artikel 6C, eerste lid, onder b, van de planvoorschriften. Daartoe voeren zij aan dat de reeds op het perceel aanwezige bovenwoningen moeten worden aangemerkt als eengezinshuizen, waardoor het bebouwingspercentage voor dat perceel niet meer dan 50 mag bedragen. Dat wordt met het bouwplan overschreden, aldus appellanten.

2.2.1.    Dit betoog faalt. Het bouwperceel bestaat blijkens de aanvraag en de daarbij behorende tekeningen uit het kadastrale perceel C 2672. Het reeds daarop aanwezige gebouw is in het verleden opgericht als één gebouw met twee benedenwoningen met winkel en twee bovenwoningen. Thans bevinden zich in het gebouw een café en twee bovenwoningen die, naar uit de gedingstukken is gebleken, ieder voor zich voorzien in zelfstandige bewoning. Nu het gebouw twee naast elkaar gelegen woningen omvat is, gelet op artikel 2 van de planvoorschriften, op het bouwperceel sprake van een meergezinshuis. Dat betekent dat voor dat perceel een bebouwingspercentage van 100 geldt, waaraan met het bouwplan wordt voldaan. Dat, naar appellanten betogen, een meergezinshuis (slechts) een etagewoning, appartementengebouw of flatgebouw is waarbij, anders dan in dit geval, de individuele woning geen eigen opgang op straatniveau heeft, volgt niet uit de tekst van artikel 2 van de planvoorschriften. Dat de planwetgever, naar appellanten betogen, deze bedoeling heeft voorgestaan, kan niet afdoen aan hetgeen in de planvoorschriften uitdrukkelijk is bepaald. Het vorenstaande leidt ertoe dat de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat het bouwplan voldoet aan artikel 6C, eerste lid, onder b, van de planvoorschriften.

2.3.    Over hetgeen appellanten betogen ten aanzien van andere in de Woningwet opgenomen weigeringsgronden voor de bouwvergunning eerste fase heeft de rechtbank geen uitspraak gedaan. Die gronden kunnen dan ook niet leiden tot vernietiging van die uitspraak.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Het besluit van 25 september 2006 wordt, gelet op artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht eveneens onderwerp te zijn van dit geding.

2.5.1.    Ingevolge artikel 46, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet beslissen burgemeester en wethouders omtrent een aanvraag om een reguliere bouwvergunning die overeenkomstig artikel 56a, eerste lid, in twee fasen wordt verleend: telkens binnen zes weken na ontvangst van de aanvraag.

   Ingevolge artikel 46, derde lid, van de Woningwet is het eerste lid niet van toepassing, indien de aanvraag betrekking heeft op een bouwwerk, voor het bouwen waarvan slechts bouwvergunning kan worden verleend, nadat vrijstelling is verleend als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO).

   Ingevolge artikel 46, vierde lid, van de Woningwet is de bouwvergunning van rechtswege verleend indien burgemeester en wethouders niet voldoen aan het eerste lid.

2.5.2.    Blijkens het besluit van 25 september 2006 stelt het college zich op het standpunt dat een bouwvergunning van rechtswege is ontstaan. Nu, gelet op hetgeen hiervóór is overwogen, geen sprake is van een bouwplan waarvoor slechts bouwvergunning kan worden verleend, nadat vrijstelling is verleend als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van de WRO, is dit standpunt in zoverre juist.

2.5.3.    Ten aanzien van de tegen de bouwvergunning van rechtswege ingediende bezwaren, overweegt de Afdeling het volgende. Appellanten betogen dat het bouwplan in strijd is met de bouwverordening en het Bouwbesluit (het op eigen terrein voorzien in parkeerbehoefte, de eisen voor brandveiligheid, lichttoetreding en bereikbaarheid van hulpdiensten), de milieueisen en redelijke eisen van welstand. Voorts betogen appellanten dat er aanleiding is om aan het bouwplan nadere eisen te stellen als bedoeld in het bestemmingsplan.

    Ten aanzien van de vraag of dit betoog, gelet op de in artikel 56a, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 44, eerste lid, onderdeel b, c, d of e, van de Woningwet vervatte gronden, alsnog tot een weigering van de bouwvergunning moet leiden dan wel tot handhaving van de bouwvergunning met herroeping van het primaire besluit van 10 oktober 2005, waartoe [wederpartij]k ter zitting heeft verzocht, heeft het college nog geen beslissing genomen. De Afdeling ziet dan ook aanleiding om de beslissing op de bezwaren tegen het besluit van 25 september 2006 met toepassing van artikel 6:19, tweede lid, van de Awb te verwijzen naar het college waarbij het bezwaar tegen dit besluit aanhangig is.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    verwijst de beslissing op het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 25 september 2006, kenmerk 06.79439 JZ, naar het college.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. C.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren                      w.g. Boermans

Voorzitter                           ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2007

429-531.