Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA4179

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-05-2007
Datum publicatie
02-05-2007
Zaaknummer
200605793/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 februari 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast de bedrijfsvoering van zijn onderneming aan de [locatie] te [plaats] in overeenstemming te brengen met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Westerspoor Zuid" (hierna: het bestemmingsplan).

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2007/467
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200605793/1.

Datum uitspraak: 2 mei 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/2076 van de rechtbank Haarlem van 10 juli 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 8 februari 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast de bedrijfsvoering van zijn onderneming aan de [locatie] te [plaats] in overeenstemming te brengen met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Westerspoor Zuid" (hierna: het bestemmingsplan).

Bij besluit van 2 juli 2002 heeft het college dit besluit ingetrokken.

Bij afzonderlijke besluiten van 22 augustus 2002 heeft het college besloten de tegen het besluit van 8 februari 2002 gemaakte bezwaren van [partij A] onderscheidenlijk [partij B] buiten (verdere) behandeling te laten.

Bij besluit van 29 oktober 2002 heeft het college het door [partij B] tegen het besluit van 2 juli 2002 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 maart 2003 heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het door [partij A] ingestelde beroep tegen het aan hem gerichte besluit van 22 augustus 2002 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Daarbij heeft de rechtbank bepaald dat het college opnieuw op de bezwaren van [partij A] zal moeten beslissen, waarbij de bezwaren geacht moeten worden mede te zijn gericht tegen het besluit tot intrekking van het dwangsombesluit van 2 juli 2002.

Bij afzonderlijke uitspraak van 27 maart 2003 heeft de rechtbank het door [partij B] tegen het besluit van 29 oktober 2002 ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.

Bij afzonderlijke besluiten van 2 juli 2003 heeft het college de bezwaren van [partij A] onderscheidenlijk [partij B] wederom ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 mei 2004 heeft de rechtbank de hiertegen door [partij A] onderscheidenlijk [partij B] ingestelde beroepen gegrond verklaard, de bestreden beslissingen op bezwaar vernietigd en bepaald dat het college opnieuw op hun bezwaren moet beslissen met inachtneming van deze uitspraak.

Bij uitspraak van 2 maart 2005 in zaak no. 200405212/1 heeft de Afdeling deze uitspraak bevestigd.

Bij afzonderlijke besluiten van 6 mei 2005 heeft het college de bezwaren van [partij A] onderscheidenlijk [partij B] gegrond verklaard en het besluit van 8 februari 2002, onder aanpassing van de begunstigingstermijn, in stand gelaten.

Bij uitspraak van 10 juli 2006, verzonden op 13 juli 2006, heeft de rechtbank het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 3 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 4 augustus 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 16 augustus 2006 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 27 oktober 2006 heeft [partij A] een reactie ingediend.

Bij brief van 2 november 2006 heeft [partij B] een reactie ingediend.

Bij brief van 12 december 2006 heeft het college een nadere reactie ingediend.

Bij brief van 9 januari 2007 heeft [partij A] een nadere reactie ingediend.

Bij brief van 23 januari 2007 heeft het college een nadere reactie ingediend.

Bij brief van 26 januari 2007 heeft [partij B] een nadere reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 april 2007, waar appellant, in persoon en bijgestaan door mr. G.F.H. Velthuizen, advocaat te Zaandam, en het college, vertegenwoordigd door mr. F. Marinus en mr. R. Geerling, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn [partij B], bijgestaan door mr. E.F.J.A.M. de Wit, en [partij A], als belanghebbende, in persoon, daar gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat met haar eerdere hiervoor vermelde uitspraken en de uitspraak van de Afdeling in rechte vaststaat dat de bedrijfsactiviteiten van appellant niet passen binnen de bepalingen van het bestemmingsplan en de reikwijdte van de aan appellant bij besluit van 28 september 2001 verleende vrijstelling. De conclusie is dan ook dat het college terzake handhavend kon optreden.

   Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.2.     Anders dan appellant betoogt, heeft de rechtbank met juistheid geconcludeerd dat ten tijde van het nemen van de besluiten op bezwaar van 6 mei 2005 geen concreet uitzicht bestond op legalisatie van de door appellant ontplooide bedrijfsactiviteiten. Dat het college heeft aangegeven dat vanuit planologisch oogpunt geen bezwaar bestaat tegen legalisatie van de bedrijfsactiviteiten en dat die legalisatie kan plaatsvinden door het verlenen van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), doet daar niet aan af, nu het enkele voornemen om vrijstelling te verlenen onvoldoende is om concreet uitzicht op legalisatie aan te nemen. In zoverre leidt de door appellant overgelegde brief van het college van 23 augustus 2005, waarin het college heeft aangegeven dat wordt overwogen om op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling te verlenen, evenmin tot een ander oordeel.

   Dat, naar appellant stelt, het college bij de rechtbank onvoldoende informatie naar voren heeft gebracht om te kunnen oordelen of legalisatie van de bedrijfsactiviteiten mogelijk is, doet er, wat daar ook van zij, niet aan af dat het college ten tijde van het nemen van de besluiten op bezwaar van 6 mei 2005 nog geen besluit had genomen omtrent de legalisatie van die activiteiten en dat op dat moment derhalve van concreet uitzicht op legalisatie geen sprake was.

   De omstandigheid dat het college op 17 oktober 2006 heeft besloten om de vrijstellingsprocedure te starten en de raad van de gemeente Zaandam ten behoeve daarvan op 23 november 2006 een voorbereidingsbesluit heeft genomen, dateert van na de besluiten op bezwaar van 6 mei 2005 en kan in deze procedure dan ook geen rol spelen.

2.3.    Voor het oordeel dat, zoals appellant betoogt, het college de door de rechtbank vernietigde besluiten tegen beter weten in heeft gemotiveerd met een beroep op het Planologisch Kader "Penningweg/Tienlingstraat", bestaat geen grond. In dat betoog is dan ook geen bijzondere omstandigheid gelegen op grond waarvan van het college kon worden verlangd van handhavend optreden af te zien. Een dergelijke omstandigheid wordt evenmin gevormd door de stelling van appellant dat bij hem het vertrouwen is gewekt dat de vrijstelling van 28 september 2001 alle door hem ontplooide bedrijfsactiviteiten mogelijk maakt.

   In de niet nader gemotiveerde stelling van appellant dat hij forse investeringen heeft gedaan in zijn onderneming op het perceel, heeft de rechtbank ten slotte terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat handhavend optreden in dit geval zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat het college van optreden behoort af te zien. De stelling van appellant dat het voortbestaan van zijn bedrijf afhankelijk is van de bedrijfsactiviteiten op het perceel, vormt daarvoor evenmin aanleiding, reeds omdat die stelling niet nader is gemotiveerd.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel                       w.g. Van Roessel

Voorzitter                        ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2007

457