Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA4177

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-05-2007
Datum publicatie
02-05-2007
Zaaknummer
200605394/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 november 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oosterhout (hierna: het college) geweigerd [partij] bouwvergunning te verlenen voor het realiseren van een tuinbouwkas op een ongenummerd perceel aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200605394/1.

Datum uitspraak: 2 mei 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], en anderen,

tegen de uitspraak in de zaken nos. 05/1397, 05/1398 en 05/1619 van de rechtbank Breda van 13 juni 2006 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Oosterhout.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 22 november 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oosterhout (hierna: het college) geweigerd [partij] bouwvergunning te verlenen voor het realiseren van een tuinbouwkas op een ongenummerd perceel aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 15 mei 2001 heeft het college het door [partij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 september 2002 heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het door [partij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de beslissing op bezwaar van 15 mei 2001 vernietigd en het college opgedragen opnieuw te beslissen op het bezwaar van [partij].

Bij besluit van 8 april 2003 heeft het college het door [partij] gemaakte bezwaar wederom ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 januari 2005 heeft de rechtbank het door [partij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, voor zover het college zijn weigering om bouwvergunning te verlenen voor de tuinbouwkas heeft gehandhaafd, de bestreden beslissing op bezwaar in zoverre vernietigd en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

Bij besluit van 31 januari 2005 heeft het college het bezwaar van [partij] gegrond verklaard en het besluit van 22 november 2000 herroepen.

Bij besluit van 16 maart 2005 heeft het college alsnog bouwvergunning aan [partij] verleend voor het oprichten van een tuinbouwkas op het perceel.

Bij uitspraak van 13 juni 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 24 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op 24 juli 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 17 augustus 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 23 oktober 2006 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 29 november 2006 heeft [partij], die op de voet van artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in de gelegenheid is gesteld als partij aan het geding deel te nemen, een reactie ingediend.

Bij brief van 27 december 2006 zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [partij]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 maart 2007, waar [gemachtigden], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. F.W.L. Versteegh, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [partij], als belanghebbende, in persoon en bijgestaan door mr. H.G.M. van der Westen, advocaat te Eindhoven, daar gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Anders dan [partij] in zijn reactie van 29 november 2006 heeft betoogd, heeft de rechtbank, gelet op de afstand tussen de voorziene tuinbouwkas en de woningen c.q. bedrijven van appellanten en de mogelijke ruimtelijke uitstraling van die kas, terecht geen aanleiding gevonden te oordelen dat appellanten niet als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb kunnen worden aangemerkt.

2.2.    Het perceel is ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied" bestemd voor "Agrarisch gebied (A)", met nadere aanduiding "A5".

   Ingevolge artikel 11, lid A, onder 1, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de gronden met de bestemming "Agrarisch gebied" bestemd voor land- en tuinbouw.

   Ingevolge artikel 11, lid B, onder 2, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, mogen op deze gronden uitsluitend gebouwen en andere bouwwerken worden gebouwd die - mede gelet op de aard, inrichting, omvang en redelijkerwijs te verwachten continuïteit van de betrokken bedrijven - voor de bedrijfsvoering van agrarische bedrijven nodig zijn.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 7, van de planvoorschriften wordt in de planvoorschriften onder een agrarisch bedrijf verstaan een exploitatie-eenheid van gronden en gebouwen, staand glas daaronder begrepen, die kennelijk is bestemd voor en ingericht tot bedrijfsmatige uitoefening van land- en tuinbouw en/of intensieve veehouderij, de uitoefening van een agrarisch loonbedrijf als nevenactiviteit daaronder begrepen.

2.3.    Appellanten kunnen niet worden gevolgd in hun betoog dat de rechtbank heeft miskend dat aan het op de plankaart ter plaatse van het perceel aangegeven agrarisch bouwperceel geen betekenis toekomt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het vastgestelde bestemmingsplan, met inbegrip van de plankaart, is goedgekeurd door het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, welk besluit in rechte niet meer aantastbaar is. Het college heeft het bouwplan dan ook terecht daaraan getoetst.

2.4.    De rechtbank heeft — in het kader van het door [partij] tegen het besluit van 8 april 2003 ingestelde beroep — de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de StAB) op de voet van artikel 8:47, eerste lid, van de Awb benoemd als deskundige en haar verzocht schriftelijk verslag uit te brengen ten aanzien van de vraag of het door [partij] beoogde bedrijf kan worden aangemerkt als (aanzet tot) een reëel agrarisch bedrijf, alsmede ten aanzien van de vraag of, voor zover thans van belang, de tuinbouwkas nodig is voor de uitoefening van dit bedrijf, mede bezien tegen de achtergrond van de te verwachten continuïteit van het bedrijf.

   In het schriftelijk verslag van 19 mei 2004 heeft de StAB geconcludeerd dat het door [partij] beoogde bedrijf kan worden aangemerkt als aanzet tot een reëel agrarisch bedrijf, in aanmerking genomen het ondernemersplan, de kennis en ervaring van [partij] en de beschikbaarheid van voldoende grond en van een afzetkanaal, en dat ook de tweede vraag bevestigend moet worden beantwoord.

   Naar aanleiding van het uitgebrachte verslag heeft een nieuwe behandeling van de zaak ter zitting plaatsgevonden, waar het college te kennen heeft gegeven zich te conformeren aan de in het verslag neergelegde conclusie. De rechtbank heeft daarin grond gezien het besluit van 8 april 2003, voor zover het betreft de tuinbouwkas, te vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb en het college opgedragen in zoverre opnieuw te beslissen op het bezwaar. Bij zijn nieuwe beslissing heeft het college het bezwaar van [partij], onder verwijzing naar het verslag van de StAB, gegrond verklaard, zijn besluit tot weigering van bouwvergunning herroepen en [partij] alsnog de gevraagde bouwvergunning verleend.

2.4.1.    Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan niet in strijd is met artikel 11, lid B, onder 2, van de planvoorschriften. Zij stellen daartoe dat de continuïteit van het door [partij] beoogde bedrijf gelet op de kleinschaligheid daarvan onvoldoende is verzekerd.

   Dat betoog faalt. Het college heeft zich op basis van het verslag van de StAB van 19 mei 2004 op het standpunt mogen stellen dat het bouwplan voorziet in een tuinbouwkas die nodig is voor de bedrijfsvoering van de op het perceel te vestigen kwekerij. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de continuïteit van de kwekerij zodanig onzeker is dat het bouwplan om die reden in strijd met het bestemmingsplan moet worden geacht. In dit verband stelt de Afdeling vast dat, anders dan appellanten tot uitgangspunt nemen, de planvoorschriften niet de eis van volwaardigheid bevatten. Daarom is rechtens voldoende dat de beoogde kweekactiviteiten een werkelijk bedrijfsmatig karakter hebben en dat een zekere, redelijkerwijs te verwachten duurzaamheid is gegarandeerd.

   In hetgeen appellanten stellen met betrekking tot de schaalvergroting in de tuinbouwsector en de gestegen gasprijzen, is onvoldoende houvast te vinden voor het oordeel dat een bedrijfsmatige exploitatie over een langere periode niet mogelijk is. Het door appellanten overgelegde rapport van DLV Plant B.V. van 3 november 2006 waarin op basis van met een rekenmodel uitgevoerde berekeningen wordt geconcludeerd dat het beoogde bedrijf niet levensvatbaar is, biedt onvoldoende basis voor een ander oordeel. Uit het rapport blijkt niet welk rekenmodel is toegepast en welke eisen dat model stelt aan de levensvatbaarheid van een bedrijf. Evenmin is duidelijk wat de huidige normen zijn, waaraan de uitkomsten van de berekeningen blijkens dat rapport vervolgens zijn aangepast. Ten slotte is bij de berekeningen ten onrechte de realisatie van een bedrijfswoning in aanmerking genomen.

2.5.    Het betoog van appellanten dat de tuinbouwkas de leefbaarheid van het omliggende gebied als gevolg van onder meer lichthinder en verkeersoverlast zal aantasten en dat het college de gevraagde bouwvergunning om die reden had moeten weigeren, heeft de rechtbank terecht en op goede gronden verworpen.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Voorzitter, en

mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. C.J.M. Schuyt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak                        w.g. Klein Nulent

Voorzitter                       ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2007

218-412-423.