Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA4174

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-05-2007
Datum publicatie
02-05-2007
Zaaknummer
200602607/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 juni 2005 heeft de raad van de gemeente Hilvarenbeek het bestemmingsplan "Loosche Akkers 2004-1" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200602607/1.

Datum uitspraak: 2 mei 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1],

2.    [appellanten sub 2], allen wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2005 heeft de raad van de gemeente Hilvarenbeek het bestemmingsplan "Loosche Akkers 2004-1" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 14 februari 2006, kenmerk 1118089, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 29 maart 2006, bij de Raad van State ingekomen op 7 april 2006, en appellanten sub 2 bij brief van 12 april 2006, bij de Raad van State ingekomen op 13 april 2006, beroep ingesteld. Appellant sub 1 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 24 april 2006 en appellanten sub 2 hun beroep bij brief van 19 mei 2006.

Bij brief van 19 juni 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij brieven van 13 juni 2006 en 26 juni 2006 zijn nadere stukken ingediend door het gemeentebestuur van Hilvarenbeek respectievelijk appellant sub 1. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

Bij brieven van 21 augustus 2006 en 5 maart 2007 zijn nogmaals nadere stukken ingediend door appellant sub 1. Ook deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 14 november 2006. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 maart 2007, waar appellanten sub 2, in persoon van [gemachtigde], bijgestaan door mr. H.G.M. van der Westen, advocaat te Eindhoven, en verweerder, vertegenwoordigd door H.J.A. van Hout, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is de gemeenteraad van Hilvarenbeek, vertegenwoordigd door mr. G.M. van den Boom, daar gehoord. Appellant sub 1 is niet ter zitting verschenen.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Ontvankelijkheid

2.2.    Appellant sub 1 heeft geen zienswijze tegen het ontwerp-plan ingebracht bij de gemeenteraad, noch bedenkingen tegen het vastgestelde plan ingebracht bij verweerder.

   Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met de artikelen 23, eerste lid, en 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten door degene die tijdig tegen het ontwerp-plan een zienswijze bij de gemeenteraad en tegen het vastgestelde plan bedenkingen bij het college van gedeputeerde staten heeft ingebracht. Dit is slechts anders, voor zover hier van belang, voor zover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring en daardoor voor de rechtzoekende een ongunstiger situatie is ontstaan, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest tijdig een zienswijze en bedenkingen in te brengen.

   Geen van deze omstandigheden doet zich voor. Gelet hierop is het beroep van appellant sub 1 niet-ontvankelijk.

Toetsingskader

2.3.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan al dan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming ervan niet in strijd zijn met het recht.

   De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring overgaan indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het plan

2.4.    Het plan voorziet in woningbouw ter voltooiing van de woonbuurt 'Loosche Akkers', aan de westzijde van de kern Hilvarenbeek.

Het standpunt van appellanten sub 2

2.5.    Appellanten sub 2, die een agrarisch bedrijf hebben ten zuiden van het plangebied, stellen zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan voor zover daarin wordt voorzien in de bouw van woningen binnen de stankcirkel van hun bedrijf. Zij voeren daartoe aan dat die stankcirkel te klein op de plankaart is ingetekend en ruimer moet worden bepaald, te weten op basis van de omrekeningsfactoren zoals neergelegd in de Regeling stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden (hierna: de Regeling). Verder betogen zij in dit verband dat bij het bepalen van de stankcirkel moet worden gerekend vanaf de rand van het bouwblok in plaats van vanaf het emissiepunt van de mechanische ventilatie op de stal en dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met cumulatieve geurhinder.

Het standpunt van verweerder

2.6.    Verweerder heeft het plan goedgekeurd met uitzondering van artikel 3.10 van de voorschriften en in verband daarmee de bestemming "Woondoeleinden" in het plan voor zover gelegen binnen de aanduiding 'grens wijzigingsgebied' (lees: 'grens wijzigingsbevoegdheid'). De delen op de plankaart met de bestemming "Woondoeleinden" die zijn gelegen binnen de aanduiding 'grens wijzigingsbevoegdheid', aan welke delen verweerder goedkeuring heeft onthouden, vallen samen met de hindercirkel van het bedrijf van appellanten sub 2.

Vaststelling van de feiten

2.7.    Het plangebied sluit aan de noordoostzijde aan op het reeds gerealiseerde deel van de nieuwbouwwijk 'Loosche Akkers' en wordt daar begrensd door de straten Lange Akker, Roggeakker en Elstpad. Aan de zuidzijde wordt het plangebied begrensd door de agrarische gronden en bebouwing aan de noordzijde van de weg Groot Loo. Het gebied is thans in gebruik als onbebouwd agrarisch gebied. Ten zuiden van het plangebied liggen twee agrarische bedrijven, te weten het bedrijf van appellant sub 1 aan [locatie 1] en dat van appellanten sub 2 aan [locatie 2]. De raad van de gemeente Hilvarenbeek heeft zich op het standpunt gesteld dat rekening is gehouden met de hindercirkels van beide bedrijven, die over een deel van het plangebied vallen, in die zin dat binnen deze hindercirkels geen woningen mogen worden opgericht. Bij de berekening van deze hindercirkels heeft de raad de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 (hierna: de Richtlijn) tot uitgangspunt genomen.

Het oordeel van de Afdeling

2.8.    Naar aanleiding van het betoog van appellanten sub 2 dat verweerder het plan ten onrechte heeft goedgekeurd voor zover daarin wordt voorzien in de bouw van woningen binnen de stankcirkel van hun bedrijf nu die stankcirkel te klein op de plankaart is ingetekend en ruimer moet worden bepaald aan de hand van de omrekeningsfactoren zoals neergelegd in de Regeling stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden, overweegt de Afdeling als volgt.

   Op 1 mei 2003 is de Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden (hierna: de Wet) in werking getreden. De Regeling, welke strekt tot uitvoering van de artikelen 1, vierde lid, en 4, eerste lid, van de Wet, is eveneens op 1 mei 2003 in werking getreden. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet, voor zover hier van belang, is de werkingssfeer van de Wet beperkt tot extensiveringsgebieden met het primaat natuur, waarvoor een reconstructieplan is bekendgemaakt. Vaststaat dat het bedrijf van appellanten sub 2 weliswaar is gelegen in een gebied waarvoor op 22 april 2005 het reconstructieplan Beerze Reusel is vastgesteld en dat van rechtswege is goedgekeurd, maar dat de bedrijfspercelen van appellanten sub 2 in dit plan zijn aangeduid als "Extensiveringsgebied-Overig" en niet als "Extensiveringsgebied-Natuur", zodat de Wet noch de Regeling op het bedrijf van appellanten sub 2 van toepassing is.

   De Afdeling ziet geen grond voor de juistheid van het betoog van appellanten sub 2 dat de in de Regeling neergelegde omrekeningsfactoren niettemin dienen te worden toegepast. De door appellanten sub 2 naar voren gebrachte omstandigheid dat uit brieven van de Staatssecretaris van VROM volgt dat het in de bedoeling ligt de werkingssfeer van de Wet en de Regeling uit te breiden tot het gehele reconstructiegebied, rechtvaardigt niet dat verweerder hierop anticipeert en aldus geen toepassing geeft aan de ten tijde van het nemen van het goedkeuringsbesluit geldende wet- en regelgeving. Ditzelfde geldt voor de door appellanten sub 2 naar voren gebrachte omstandigheid dat de inwerkingtreding van de Wet Geurhinder en Veehouderij aanstaande is.

   Voor zover appellanten sub 2 hebben betoogd dat de in Wet en Regeling neergelegde omrekeningsfactoren de meest recente milieutechnische inzichten weergeven en om die reden door verweerder dienden te worden toegepast, overweegt de Afdeling, zoals zij eerder heeft overwogen in de uitspraken van 24 maart 2004 in zaak no. 200304128/1, 7 april 2004 in zaak no. 200307137/1 en 9 juni 2004 in zaak no. 200304335/1, dat niet de in bijlage 1 van de Regeling opgenomen omrekeningsfactoren maar die in bijlage 1 van de Richtlijn in een geval als dit als de meest recente milieutechnische inzichten kunnen worden aanvaard, zodat de Afdeling evenmin om deze reden aanleiding ziet voor het oordeel dat verweerder bij zijn bestreden besluit rekening had moeten houden met de in de Regeling opgenomen omrekeningsfactoren.    

   Gelet op het voorgaande heeft verweerder bij het bepalen van de stankcirkel van het bedrijf van appellanten sub 2 terecht toepassing gegeven aan de omrekeningsfactoren zoals die zijn opgenomen in de Richtlijn.

2.9.    Niet in geschil is dat op grond van de Richtlijn de stankcirkel van het bedrijf van appellanten een straal heeft van 275 meter. Ten aanzien van het betoog van appellanten sub 2 dat deze ten onrechte is gemeten vanaf het emissiepunt van de mechanische ventilatie op de stal in plaats van vanaf de rand van het bouwblok, overweegt de Afdeling dat het beginsel dat wordt gemeten vanaf de grens van het aangegeven bouwblok van het agrarische bedrijf, uitzondering lijdt indien het agrarische bedrijf binnen het bouwvlak geen uitbreidingsmogelijkheden meer heeft. Deze situatie doet zich bij het bedrijf van appellanten sub 2 voor, nu de bestaande woonbebouwing aan Klein Loo 8A, Groot Loo 1, 1A, 1B en 3A en op de hoek Groot Loo/Herlaerstraat het vergroten dan wel verschuiven van de huidige stankcirkel verhindert. Verder heeft verweerder bij het bepalen van het emissiepunt met juistheid tevens bij zijn besluit betrokken dat in de bij besluit van 1 februari 2005 door burgemeester en wethouders van Hilvarenbeek aan appellanten sub 2 verleende vergunning ingevolge de Wet milieubeheer voor uitbreiden dan wel vergroten van de bestaande vleeskalverenstallen, is voorgeschreven dat vanwege deze bestaande woonbebouwing dient te worden uitgegaan van de bestaande reeds vergunde ventilatoren/emissiepunten.

Subsidiair standpunt appellanten sub 2

2.10.    Subsidiair hebben appellanten sub 2 betoogd dat indien verweerder mocht uitgaan van de Richtlijn en van een stankcirkel van 275 meter, hij dan ten onrechte geen rekening heeft gehouden met cumulatieve geurhinder.

In dat verband bestrijden appellanten sub 2 de juistheid van de door de gemeenteraad uitgevoerde berekeningen.

Het standpunt van verweerder

2.10.1.    Verweerder stelt dat in het plan op juiste wijze rekening is gehouden met cumulatieve stankhinder.

Het oordeel van de Afdeling

2.10.2.    Ter zitting is komen vast te staan dat de gemeenteraad voorafgaand aan de vaststelling van het plan de cumulatieve geurbelasting vanwege nabijgelegen veehouderijen op de door het plan mogelijk gemaakte woningen heeft berekend. Van de zijde van het gemeentebestuur is onweersproken gesteld dat aan (de adviseur van) appellanten sub 2 de gelegenheid is geboden inzicht te verkrijgen in de wijze van berekening van de cumulatieve geurbelasting, maar dat van deze gelegenheid geen gebruik is gemaakt. Gelet hierop treft het bezwaar van appellanten sub 2 dat de wijze van berekening van de cumulatieve geurbelasting door het gemeentebestuur niet aan hen inzichtelijk is gemaakt, geen doel.

   Van de wijze van berekening ten aanzien van één beoordelingspunt en de uitkomsten van de berekening ten aanzien van de overige beoordelingspunten, heeft verweerder kennis genomen voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit. Niet in geschil is dat de berekening van de cumulatieve geurbelasting heeft plaatsgevonden met behulp van een daarvoor gebruikelijk rekenprogramma. Gelet hierop bestond er voor verweerder geen aanleiding de wijze van berekening ten aanzien van alle beoordelingspunten afzonderlijk te beoordelen. Het feit dat de gemeenteraad naar aanleiding van het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening van appellanten sub 2 ten aanzien van bepaalde aspecten nader inzicht heeft gegeven in de wijze van berekening, leidt niet tot het oordeel dat verweerder het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft voorbereid.

   Gelet op de stukken is de stelling van appellanten sub 2 dat het gemeentebestuur in zijn berekeningen er vanuit is gegaan dat de milieuvergunning van het bedrijf aan [locatie 1] is ingetrokken onjuist,

nu in deze berekeningen ook de bijdrage aan de cumulatieve geurbelasting vanwege dit bedrijf is opgenomen. De stelling van appellanten sub 2 in dit verband dat het gemeentebestuur onjuiste beoordelingspunten heeft gebruikt in de veronderstelling dat de milieuvergunning van het bedrijf aan [locatie 1] is ingetrokken, behoeft gelet hierop geen bespreking.

Ook de stelling van appellanten sub 2 dat het gemeentebestuur in zijn berekeningen op onjuiste wijze heeft afgerond is, gezien de stukken, onjuist. Ter zitting is gebleken dat appellanten sub 2 in hun berekeningen voor de bedrijven aan Groot Loo 12 en Klein Loo 12 zijn uitgegaan van aanzienlijk hogere aantallen mestvarkeneenheden dan feitelijk zijn vergund. Voorts zijn appellanten sub 2 in hun berekeningen voor hun eigen bedrijf uitgegaan van vijf zelfstandige stallen, terwijl op grond van de vigerende milieuvergunning dient te worden uitgegaan van drie stallen. De conclusie in het deskundigenbericht dat de verschillen tussen de door appellanten sub 2 berekende waarden en de door het gemeentebestuur berekende waarden zijn te verklaren door de voornoemde onjuiste uitgangspunten van appellanten, acht de Afdeling dan ook juist. In hetgeen appellanten sub 2 hebben aangevoerd ziet de Afdeling, in het licht van het deskundigenbericht, geen aanleiding voor het oordeel dat de door de gemeenteraad berekende waarden van cumulatieve geurbelasting onjuist zijn. Verweerder heeft deze waarden dan ook terecht bij het nemen van zijn besluit betrokken.

Conclusie ten aanzien van het beroep van appellanten sub 2

2.11.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan, voor zover door appellanten sub 2 bestreden, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten sub 2 hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep van appellanten sub 2 is ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.12.     Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van appellant sub 1 niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het beroep van appellanten sub 2 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. A. Kosto en mr. K.J.M. Mortelmans, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Rop, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel                      w.g. Rop

Voorzitter                       ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2007

417