Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA4160

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-05-2007
Datum publicatie
02-05-2007
Zaaknummer
200605536/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 maart 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ermelo (hierna: het college) een verzoek van appellant om handhavend tegen de activiteiten van [vergunninghoudster] op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) op te treden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200605536/1.

Datum uitspraak: 2 mei 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 05/1415 van de rechtbank Zutphen van 14 juni 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Ermelo.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 28 maart 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ermelo (hierna: het college) een verzoek van appellant om handhavend tegen de activiteiten van [vergunninghoudster] op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) op te treden afgewezen.

Bij besluit van 14 augustus 2003 heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 10 augustus 2004 heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) het door appellant daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op het door appellant gemaakte bezwaar te nemen.

Bij uitspraak van 20 april 2005 in zaak no. 200408004/1 heeft de Afdeling het door het college daartegen ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard.

Bij besluit van 20 juli 2005 heeft het college het door appellant tegen het besluit van 28 maart 2003 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 juni 2006, verzonden op 16 juni 2006, heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 juli 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 24 augustus 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 25 september 2006 heeft [vergunninghoudster] een reactie ingediend.

Bij brief van 9 oktober 2006 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van [vergunninghoudster]. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 maart 2007, waar appellant, bijgestaan door mr. J.H. Tuit, advocaat te Almere, en het college, vertegenwoordigd door mr. R.A. Oosterveer, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door mr. R.H. Broeksema, advocaat te Zwolle, gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellant betoogt tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat het college bij het besluit van 20 juli 2005 geen ander standpunt kon innemen, dan het bij het besluit van 28 maart 2003 en tijdens de eerder in het kader van het besluit op bezwaar van 14 augustus 2003 gevoerde procedure had gedaan. Nog daargelaten dat het besluit van 14 augustus 2003 door de rechtbank Zutphen is vernietigd, is er geen rechtsregel die zich er tegen verzet dat het college van het eerder ingenomen standpunt terugkwam. Ten aanzien van het betoog van appellant dat hij ten onrechte eerst op de hoorzitting ter behandeling van zijn bezwaar op de hoogte is geraakt van het gewijzigde standpunt van het college, heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat het college hiermee niet in strijd heeft gehandeld met enige geschreven en ongeschreven rechtsregel en slechts van belang is of het gewijzigde standpunt van het college rechtens deugdelijk is.

   Voor zover appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college in strijd met de vereiste zorgvuldigheid heeft gehandeld door van standpunt te veranderen, heeft hij daarbij geen belang, omdat dit betoog er niet toe kan leiden dat het college alsnog tot handhavend optreden moet besluiten.

2.2.    Appellant betoogt voorts dat de rechtbank, door te overwegen dat het gebruik van het perceel met het bestemmingsplan strookt, heeft miskend dat, gelet op de bedrijfsomschrijving van [vergunninghoudster] in het handelsregister van de Kamer van Koophandel, het spuitgieten haar kenmerkende activiteit is op het perceel en de producten die daaruit voortkomen van ondergeschikt belang zijn.

2.2.1.    Ingevolge het bestemmingsplan "bestemmingsplan Kern 's-Heerenloo" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Bedrijven B" met de nadere aanduiding "vp".

   Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de voorschriften bij het bestemmingsplan (hierna: planvoorschriften), zijn de op de kaart als zodanig aangewezen gronden bestemd voor bedrijven met als doeleinde vervaardiging van verpakkingsmateriaal.

2.2.2.    Het betoog faalt. De rechtbank heeft met juistheid met het verslag van het bedrijfsbezoek op 18 mei 2005 en de foto's van de producten die D&F Kunststoffen vervaardigt door het college aannemelijk gemaakt geacht dat deze door middel van spuitgieten kunststof onderdelen van verpakkingen produceert. Dat kunststof kappen, één van de producten die [vergunninghoudster] vervaardigt, een onderdeel van het verpakkingsmateriaal vormen, doet er niet aan af dat verpakkingsmateriaal wordt vervaardigd. Daarbij heeft zij terecht overwogen dat de omstandigheid dat als bedrijfsomschrijving van [vergunninghoudster] in het handelsregister de productie van kunststof artikelen staat vermeld, niet betekent dat op het perceel geen verpakkingsmateriaal wordt vervaardigd. Anders dan appellant betoogt, is het op het perceel vervaardigde product van doorslaggevende betekenis voor beantwoording van de vraag of verpakkingsmateriaal wordt vervaardigd in de zin van artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften en niet de wijze waarop dit gebeurt.

   De rechtbank heeft voorts, nu de betekenis van de term "vervaardiging van verpakkingsmateriaal" duidelijk is, aan de overige in artikel 7, eerste lid, vermelde activiteiten en de toelichting op het bestemmingsplan terecht niet de betekenis toegekend die appellant daaraan gehecht wil zien. Aangezien niet met toepassing van artikel 7, vijfde lid, vrijstelling is verleend, kan de stelling van appellant dat [vergunninghoudster] geen ambachtelijk bedrijf is, wat daar verder van zij, evenmin tot het ermee beoogde doel leiden. Ook de stelling dat spuitgieten in de tot het bestemmingsplan behorende Staat van Inrichtingen en in het kader van milieuregelgeving als aparte categorie wordt gekwalificeerd leidt, wat daar verder van zij, niet tot het oordeel dat het gebruik dat [vergunninghoudster] van het perceel maakt in strijd is met het bestemmingsplan. Voor de vraag of op [vergunninghoudster] op het perceel verpakkingsmateriaal vervaardigt, als bedoeld in artikel 7, eerste lid, is niet bepalend hoe spuitgieten in de tot het bestemmingsplan behorende Staat van Inrichtingen en in het kader van milieuregelgeving wordt aangemerkt.

2.3.    Hetgeen appellant heeft aangevoerd omtrent het ontbreken van zicht op legalisatie behoeft, gezien het vorenstaande, geen bespreking.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R..P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb                                   w.g. Boermans

Voorzitter                                  ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2007

163-499.