Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA4154

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-05-2007
Datum publicatie
02-05-2007
Zaaknummer
200606053/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 november 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tynaarlo (hierna: het college) geweigerd bouwvergunning te verlenen voor de bouw van een woning met schuur op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200606053/1.

Datum uitspraak: 2 mei 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 05/300 van de rechtbank Assen van 13 juli 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Tynaarlo.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 2 november 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tynaarlo (hierna: het college) geweigerd bouwvergunning te verlenen voor de bouw van een woning met schuur op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 8 maart 2005 heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 juli 2006, verzonden op 17 juli 2006, heeft de rechtbank Assen (hierna: de rechtbank) het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 14 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 16 augustus 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 3 oktober 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 april 2007, waar appellant, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. R.S. Boersma, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het bouwplan voorziet in de bouw van een woning met schuur op het perceel ten behoeve van een glastuinbouwbedrijf dat bloemen en/of planten kweekt.

2.2.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan "Buitengebied gemeente Eelde" (hierna: het bestemmingsplan). Daartoe voert appellant aan dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan niet in de tweede, maar in de eerste dienstwoning in het met "glastuinbouw" aangegeven gebied voorziet. Voorts voert appellant daartoe aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat naast een dienstwoning, de enige op het perceel toegestane gebouwen kassen zijn.

2.2.1.    Ingevolge het bestemmingsplan rust op het perceel de bestemming "Laagveenontginningen en beekdalen" met de aanduiding "glastuinbouw (Tb)".

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder q, van de voorschriften van het bestemmingsplan (hierna: de planvoorschriften) wordt in deze voorschriften onder grondgebonden agrarisch bedrijf verstaan een agrarisch bedrijf waarbij hoofdzakelijk gebruik gemaakt wordt van open grond (waaronder ook begrepen grond met kassen met een hoogte van niet meer dan 1 m).

   Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de als zodanig op de plankaart aangegeven gronden bestemd voor uitoefening van het grondgebonden agrarisch bedrijf.

   Ingevolge artikel 5, derde lid, onder a, van de planvoorschriften met als kop "Bebouwing ten dienste van de uitoefening van het grondgebonden agrarische bedrijf", voor zover hier van belang, is ten behoeve van de uitoefening van het "grondgebonden agrarisch bedrijf" en "glastuinbouw" op de met "grondgebonden agrarisch bedrijf" aangegeven gronden bebouwing toegestaan, mits deze wordt gegroepeerd binnen een aaneengesloten oppervlak van één ha.

Onder gebouwen zijn, voor zover de gronden zijn aangegeven met "glastuinbouw", kassen begrepen tot een oppervlakte van 500 m² per bedrijf dan wel de bestaande oppervlakte.

Per met "grondgebonden agrarisch bedrijf" of "glastuinbouw" aangegeven gebied is ten hoogste één dienstwoning toegestaan.

2.2.2.    De rechtbank heeft, onder verwijzing naar haar uitspraak van 4 april 2001 in zaak nos. 99/830, 00/105 en 00/632, overwogen dat het bouwplan voorziet in een tweede dienstwoning. Daartoe is de rechtbank in voormelde uitspraak er vanuit gegaan dat de woning op het perceel [locatie] te [plaats] tot de verkoop begin 1996 als dienstwoning bij het bedrijf van (de voorganger van) appellant behoorde en derhalve als eerste dienstwoning dient te worden aangemerkt.

   De rechtbank heeft daarbij niet onderkend dat de woning op het perceel [locatie] te [plaats] niet binnen het met "glastuinbouw" aangegeven gebied is gelegen. Het bestaan van deze woning betekent, gelet op artikel 5, derde lid, onder a, van de planvoorschriften, derhalve niet dat het bouwplan voorziet in een tweede dienstwoning.

2.2.3.    De rechtbank heeft, onder verwijzing naar haar uitspraak van 4 april 2001 in zaak nos. 99/830, 00/105 en 00/632, overwogen dat de bouw van een schuur op het perceel in strijd is met het bestemmingsplan. In voormelde uitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat het perceel uitsluitend de aanduiding "glastuinbouw" heeft en derhalve alleen de bouw van kassen (tot een bepaalde oppervlakte) is toegestaan.

   Nu over de uitleg van de tekst van artikel 5, derde lid, onder a, van de planvoorschriften twijfel kan bestaan, heeft de rechtbank bij de interpretatie van deze bepaling terecht aansluiting gezocht bij de overige planvoorschriften en de toelichting behorende bij het bestemmingsplan. Anders dan de rechtbank, is de Afdeling echter van oordeel dat hieruit niet volgt dat op het perceel alleen kassen mogen worden gebouwd. De uitleg van de rechtbank leidt er immers toe dat aan de term "glastuinbouw" in artikel 5, derde lid, onder a, eerste volzin, van de planvoorschriften geen betekenis toekomt. De uitleg dat alleen kassen en andere bebouwing dan kassen tezamen zijn toegestaan op gronden die zijn aangegeven met zowel "grondgebonden agrarisch bedrijf" als "glastuinbouw" ligt voorts niet voor de hand, nu ter zitting is gebleken dat zulke gronden op de plankaart niet voorkomen. Nu bovendien in het algemeen spraakgebruik onder "begrijpen onder" wordt verstaan "rekenen tot, deel laten uitmaken van" en de planwetgever - anders dan in andere planvoorschriften - de term "uitsluitend" niet heeft gebruikt in artikel 5, derde lid, onder a, tweede volzin, van de planvoorschriften, sluit de uitleg dat op het perceel ook andere gebouwen dan kassen zijn toegestaan beter aan bij de tekst van dit planvoorschrift. In de door de rechtbank aangehaalde passage op pagina 107 van deze toelichting staat daarenboven dat de mogelijkheden voor het bouwen van andere bedrijfsgebouwen dan kassen en een bedrijfswoning voor bedrijven die met "glastuinbouw" zijn aangeduid overeenkomstig de mogelijkheden zijn zoals die gelden voor de bedrijven die zijn aangeduid met "grondgebonden agrarisch bedrijf".

2.2.4.    Nu de door het college aangegeven redenen om de bouwvergunning te weigeren, gelet op het vorenstaande, niet volstaan, kan de door het college gegeven motivering niet het besluit dragen om de gevraagde bouwvergunning te weigeren. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.3.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 8 maart 2005 van het college alsnog gegrond verklaren. De bestreden beslissing op bezwaar komt eveneens voor vernietiging in aanmerking.

2.4.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Assen van 13 juli 2006 in zaak no. 05/300;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Tynaarlo van 8 maart 2005, kenmerk 05/1173/bwt;

V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Tynaarlo tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 56,20 (zegge: zesenvijftig euro en twintig cent); het dient door de gemeente Tynaarlo aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de gemeente Tynaarlo aan appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 349,00 (zegge: driehonderdnegenenveertig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Soede

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2007

270-499.