Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA4152

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-05-2007
Datum publicatie
02-05-2007
Zaaknummer
200608283/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 oktober 2006 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend, voor een inrichting voor de opslag van goederen ten behoeve van kermisexploitatie en het stallen van kermisattracties alsmede voor de opslag en verkoop van 2.000 kilogram consumentenvuurwerk, op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 6 november 2006 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200608283/1

Datum uitspraak: 2 mei 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Steenbergen,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 24 oktober 2006 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend, voor een inrichting voor de opslag van goederen ten behoeve van kermisexploitatie en het stallen van kermisattracties alsmede voor de opslag en verkoop van 2.000 kilogram consumentenvuurwerk, op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 6 november 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 2 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op 5 december 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 10 januari 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 maart 2007, waar verweerder, vertegenwoordigd door M.S.A. van Leeuwen, ambtenaar van de gemeente, is verschenen.

Voorts is als partij gehoord [vergunninghouder] bijgestaan door A.M.W.M. van der Linden.

2.    Overwegingen

2.1.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

   Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.2.    Appellant betoogt dat verweerder bij de verlening van de vergunning onvoldoende rekening heeft gehouden met de veiligheid van de direct omwonenden van de inrichting als gevolg van de opslag van consumentenvuurwerk in de inrichting. Het risico wordt volgens appellant vergroot omdat het vuurwerk wordt opgeslagen in een loods waarin zich ook een garagebedrijf bevindt.

2.2.1.    Verweerder heeft zich bij de beoordeling van de vergunningaanvraag wat betreft het aspect vuurwerk gebaseerd op het Vuurwerkbesluit en heeft geoordeeld dat vergunning kan worden verleend voor de opslag van maximaal 2000 kg consumentenvuurwerk. Daarbij zijn diverse voorschriften voor brandpreventie en brandbestrijding vastgesteld.

2.2.2.    Ingevolge artikel 8.9 van de Wet milieubeheer draagt het bevoegd gezag er bij de beslissing op de aanvraag zorg voor dat, voor zover hier van belang, geen strijd ontstaat met regels die met betrekking tot de inrichting gelden, gesteld bij of krachtens deze wet.

   Ingevolge artikel 4.1, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit worden de veiligheidsafstanden bedoeld in bijlage 3, voor zover deze in acht moeten worden genomen bij de vaststelling van een besluit als bedoeld in artikel 4.2, aangemerkt als grenswaarde als bedoelde in artikel 5.1, derde lid, van de Wet milieubeheer.

   Ingevolge artikel 4.2, tweede lid, aanhef en onder d, van het Vuurwerkbesluit nemen burgemeester en wethouders de in bijlage 3 gestelde afstanden in acht bij de verlening of wijziging van een vergunning op grond van de wet milieubeheer.

   In bijlage 3, onder B, sub 1.2, onder a, van het Vuurwerkbesluit is, voor zover hier van belang, bepaald dat bij een inrichting waarin in totaal niet meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk aanwezig mag zijn een veiligheidsafstand van ten minste 8 meter in acht dient te worden genomen, gemeten vanaf de bewaarplaats en de bufferbewaarplaats in voorwaartse richting, tot een kwetsbaar object en een geprojecteerd kwetsbaar object.

   Ingevolge bijlage 3, onder A, aanhef en sub c, wordt onder veiligheidsafstand in voorwaartse richting verstaan de afstand in zowel horizontale als verticale richting, gemeten in bolvorm vanaf het middelpunt van de deuropening van een ruimte in de richting, zoals aangegeven in figuur 1, onder a, bij die bijlage 3.

2.2.3.    Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt naar het oordeel van de Afdeling dat wordt voldaan aan de ingevolge genoemd voorschrift 1.2, onder a, van bijlage 3 bij het Vuurwerkbesluit in acht te nemen veiligheidsafstand.

   De Afdeling overweegt voorts dat het Vuurwerkbesluit voorschriften bevat met betrekking tot de constructie van de ruimte waarin vuurwerk wordt opgeslagen. Verder worden eisen gesteld met betrekking tot de brandwerendheid en de aanwezigheid van brandblusmiddelen. Voorts zijn onder meer gedragsregels gesteld om de risico's van de aanwezigheid van vuurwerk zoveel mogelijk te beperken. Aangezien niet is gebleken dat verweerder op onjuiste wijze rekening heeft gehouden met de uit het Vuurwerkbesluit voortvloeiende verplichtingen, treft dit beroepsonderdeel geen doel.

2.3.    Appellant stelt dat uitbreiding van de hoeveelheid consumentenvuurwerk in de inrichting eenvoudig kan worden gerealiseerd nadat de onderhavige vergunning eenmaal is verleend.

   De Afdeling overweegt dat in deze procedure slechts de verlening van de onderhavige vergunning ter beoordeling kan staan. Een eventuele uitbreiding van de hoeveelheid consumentenvuurwerk in de inrichting betreft een toekomstige verandering waarvoor vergunninghouder een aanvraag voor een veranderings- dan wel revisievergunning moet indienen.

   Voor zover appellant daarnaast vreest dat de aan de vergunning verbonden voorschriften niet worden nageleefd, overweegt de Afdeling dat deze beroepsgrond geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en om die reden niet kan slagen. Overigens staat voor appellant de mogelijkheid open verweerder om handhaving van de voor de inrichting geldende voorschriften te verzoeken. Tegen het op het verzoek te nemen besluit kan appellant rechtsmiddelen aanwenden.

2.4.    Appellant betoogt dat de inrichting niet in bewoond gebied thuishoort en daarom gevestigd zou moeten worden op een andere locatie.

    De Afdeling overweegt dat verweerder is gehouden op grondslag van de aanvraag te beoordelen of voor de in die aanvraag genoemde locatie vergunning kan worden verleend. Of een andere locatie meer geschikt is voor vestiging van de inrichting speelt hierbij geen rol. De beroepsgrond treft geen doel.

2.5.    Appellant stelt zich verder op het standpunt dat rekening moet worden gehouden met een waardedaling van zijn woning, alsmede dat gezien de andere activiteiten van vergunninghouder de economische noodzaak ontbreekt om vuurwerk op te slaan en te verkopen.

   Deze beroepsgronden hebben geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer. Bij de beoordeling van een aanvraag om een vergunning ingevolgde de Wet milieubeheer kan daarom met deze gronden geen rekening worden gehouden. De beroepsgronden treffen om die reden geen doel.

2.6.    Het beroep is ongegrond.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Ch.W. Mouton, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.

w.g. Mouton                     w.g. Melse

Lid van de enkelvoudige kamer   ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2007

191-495