Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA4141

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-05-2007
Datum publicatie
02-05-2007
Zaaknummer
200606157/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 april 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Beverwijk (hierna: het college) aan appellante vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van 8 woningen, 38 vakantiewoningen en een parkeergarage op het perceel Voorstraat/Neeltje Snijdershof te Wijk aan Zee (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2007, 263 met annotatie van B.W.N. de Waard
Module Ruimtelijke ordening 2007/738
ABkort 2007/258
JOM 2008/835
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200606157/1.

Datum uitspraak: 2 mei 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Ontwikkelingsmaatschappij Wijk Aan Zee B.V.", gevestigd te Beverwijk,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05-1280 van de rechtbank Haarlem van 10 juli 2006 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Beverwijk.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 27 april 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Beverwijk (hierna: het college) aan appellante vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van 8 woningen, 38 vakantiewoningen en een parkeergarage op het perceel Voorstraat/Neeltje Snijdershof te Wijk aan Zee (hierna: het perceel).

Bij besluit van 25 januari 2005 heeft het college de door [vier partijen] daartegen gemaakte bezwaren gegrond verklaard, het besluit van 28 april 2004 (lees: 27 april 2004) herroepen en geweigerd bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van 8 woningen, 38 vakantiewoningen en een parkeergarage op het perceel.

Bij uitspraak van 10 juli 2006, verzonden op 11 juli 2006, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 17 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 18 augustus 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 9 oktober 2006 hebben [twee partijen], die in de gelegenheid zijn gesteld als partij aan het geding deel te nemen, een reactie ingediend.

Bij brief van 19 oktober 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 april 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. H. van Lier, advocaat te Haarlem, vergezeld door H.K. Meuwese, en het college, vertegenwoordigd door P.A. Koese, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn [twee partijen], vertegenwoordigd door mr. P. van Veen, daar als partij gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Het bouwplan voorziet in het oprichten van 6 eengezinswoningen, 2 appartementen, 38 vakantiewoningen en een parkeergarage op het perceel. De vakantiewoningen worden in drie blokken van twee bouwlagen gebouwd, waarbinnen een pleintje ligt. De in- en uitrit van de parkeergarage ligt op het pleintje.

2.2.    Appellante betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat hetgeen in bezwaar is aangevoerd geen betrekking had op de bevoegdheid van het college om vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) te verlenen. Daartoe voert appellante aan dat heroverweging van het besluit in primo, gelet op artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), op grondslag van het bezwaar plaatsvindt, hetgeen naar de mening van appellante betekent dat het college het besluit in primo niet mocht herroepen omdat het bouwplan is aan te merken als één van de door het college van gedeputeerde staten aangegeven categorieën van gevallen als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO.

2.2.1.    De vraag of aan de voorwaarden is voldaan om met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling te verlenen hangt nauw samen met de in bezwaar opgeworpen vraag of het college in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen. Dat niet als zodanig is aangevoerd dat het bouwplan niet is aan te merken als één van de door het college van gedeputeerde staten aangegeven categorieën van gevallen als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO, betekent niet dat het college dit niet bij de heroverweging van het besluit in primo diende te betrekken. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 15 december 2004 in zaak no. 200402074/1 (www.raadvanstate.nl en AB 2005, 431), vindt dit oordeel bevestiging in de geschiedenis van de totstandkoming van de Algemene wet bestuursrecht, waaruit blijkt dat de bezwaarprocedure is bedoeld voor een volledige heroverweging die niet gebonden is aan argumenten of omstandigheden die in het bezwaarschrift aan de orde zijn gesteld. Het college heeft voorts niet in strijd met het zogenoemde verbod van reformatio in peius gehandeld, nu niet door appellante maar door [vier partijen] bezwaar is gemaakt, die door het maken van bezwaar niet in een slechtere positie zijn geraakt.

   De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat de omstandigheid dat de in bezwaar naar voren gebrachte gronden niet met zoveel woorden betrekking hadden op eerstgenoemde vraag niet betekent dat het college de bij het besluit in primo verleende bouwvergunning niet bij het besluit op bezwaar kon herroepen. Het betoog faalt.

2.3.    Voorts betoogt appellante dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het bouwplan een speerpunt van beleid als bedoeld in de door het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland op 10 februari 2004 vastgestelde notitie "Beleid artikel 19 WRO" (hierna: de notitie) betreft. Daartoe voert appellante aan dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, geen sprake is van een verblijfsrecreatief complex omdat de vakantiewoningen aan particulieren zullen worden verkocht en geen gezamenlijke voorzieningen aanwezig zijn, zodat het college met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling kon verlenen.

2.3.1.    Ingevolge paragraaf 2.2, aanhef en onder b, van de notitie, voor zover hier van belang, kunnen burgemeester en wethouders zonder verklaring van geen bezwaar vrijstelling verlenen voor projecten die geen speerpunt van beleid betreffen.

   Ingevolge paragraaf 3, onder 20, van de notitie, vallen projecten die het vestigen van nieuwe verblijfsrecreatieve complexen en grootschalige dagrecreatieve voorzieningen inhouden onder de speerpunten van beleid.

2.3.2.    Nu het begrip verblijfsrecreatief complex niet in de notitie is gedefinieerd, dient aansluiting te worden gezocht bij hetgeen hieronder in het algemene spraakgebruik wordt verstaan, te weten een samengesteld geheel van gebouwen die gebruikt worden door bezitters van een tweede huis.

   De vakantiewoningen kennen een gezamenlijk plein met een parkeergarage en één ontsluitingsweg. Op de bouwtekening, die deel uitmaakt van het bouwplan, is de ontsluitingsweg voorzien van een slagboom. Gelet hierop heeft de rechtbank de vakantiewoningen, die zijn voorzien om door bezitters van een tweede huis gebruikt te worden, terecht als verblijfsrecreatief complex aangemerkt.

   De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het bouwplan een speerpunt van beleid betreft, zodat het college niet met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling voor het bouwplan kon verlenen. Het betoog faalt.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Soede

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2007

270-499.