Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA4140

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-05-2007
Datum publicatie
02-05-2007
Zaaknummer
200605415/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 juli 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (hierna: het college) geweigerd appellant vrijstelling en reguliere bouwvergunning eerste fase te verlenen voor het bouwen van een uitbouw aan de zijkant van de woning aan de [locatie] te Utrecht (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200605415/1.

Datum uitspraak: 2 mei 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. SBR 06/513 van de rechtbank Utrecht van 29 juni 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 11 juli 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (hierna: het college) geweigerd appellant vrijstelling en reguliere bouwvergunning eerste fase te verlenen voor het bouwen van een uitbouw aan de zijkant van de woning aan de [locatie] te Utrecht (hierna: het perceel).

Bij besluit van 13 december 2005 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 juni 2006, verzonden op 3 juli 2006, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 21 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op 25 juli 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 30 augustus 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 maart 2007, waar appellant in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. S. van Oeveren, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het bouwplan voorziet in de bouw van een garage met studeer/werkkamer naast de bestaande woning die op het perceel is gelegen.

2.2.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Tuindorp" (hierna: het bestemmingsplan) rust op de gronden waarop het bouwplan is voorzien de bestemming "Voortuin (Tv)".

   Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de voor "Voortuin" aangewezen gronden bestemd voor tuinen, met de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouw zijnde, alsmede werken, geen gebouw zijnde.

   Ingevolge artikel 6, tweede lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften mogen voor het bouwen op de in lid 1 bedoelde gronden uitsluitend de aanbouwen (erkers en toegangsportalen) worden gebouwd zoals die bestaan op het moment van de tervisielegging van het plan.

2.3.    Niet in geschil is - en ook de Afdeling gaat daarvan uit - dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Het hoger beroep heeft uitsluitend betrekking op de weigering van het college vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan voor het bouwplan.

2.4.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld door geen vrijstelling te verlenen. Daartoe voert hij aan dat in een principebesluit van 15 april 2003 (hierna: het principebesluit) staat dat het bouwplan mag worden verwezenlijkt.    

2.4.1.    Dit betoog faalt. Ten tijde van het principebesluit gold het bestemmingsplan "Tuindorp-Oost I" (hierna: het bestemmingsplan (oud)). Het bouwplan was hiermee in strijd. Voorts was het bouwplan in strijd met het ontwerp van het bestemmingsplan. In het principebesluit is te kennen gegeven dat medewerking aan het bouwplan alleen met toepassing van vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) kan worden verleend voor de maten van het bouwplan, niet dat zodanige vrijstelling zal worden verleend. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat het bouwplan onder de werking van het bestemmingsplan (oud) evenmin zonder vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de WRO kon worden verwezenlijkt, heeft de rechtbank terecht overwogen dat appellant uit het principebesluit niet het gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen dat aan het bouwplan medewerking zou worden verleend. Uit de omstandigheid dat in het voorontwerp van het bestemmingsplan de gronden waarop het bouwplan is voorzien, bestemd waren als "Tuin", waarbinnen bebouwing wel mogelijk is, heeft appellant evenmin het gerechtvaardigde vertrouwen mogen ontlenen dat vrijstelling voor het bouwplan zou worden verleend. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, betekent deze omstandigheid, zo lang het bestemmingsplan niet is vastgesteld, niet dat nadien geen wijzigingen in een zodanig plan kunnen worden aangebracht, temeer indien daarbij een fout is gemaakt. Indien appellant bezwaar had tegen de nadien in het ontwerp van het bestemmingsplan en het bestemmingsplan opgenomen bestemming "Voortuin (Tv)", dan had appellant daartegen rechtsmiddelen kunnen aanwenden.

2.5.    Appellant betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de notitie "Tuinbebouwing in Utrecht" van 25 februari 2002 (hierna: de notitie) het bouwplan toestaat.

2.5.1.    Dit betoog faalt eveneens. Ter zitting is gebleken dat de notitie, waarin beleid is neergelegd met betrekking tot de bebouwingsmogelijkheden van gronden (tuinen) bij woningen in het kader van de bevoegdheid om vrijstelling te verlenen, niet als beleidsregel is vastgesteld en dat de notitie achterhaald is, nu de inhoud daarvan is opgenomen in het bestemmingsplan. Aan de notitie kan appellant dan ook geen aanspraak ontlenen.

2.6.    Het betoog van appellant dat de rechtbank heeft miskend dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld door geen vrijstelling te verlenen, faalt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de gevallen waarvoor het college vrijstelling heeft verleend, dateren van vóór de vaststelling van het bestemmingsplan. Op deze gevallen was dan ook een ander planologisch regime van toepassing. Reeds daarom is geen sprake van gelijke gevallen die door het college op ongelijke wijze zijn behandeld. De rechtbank is met juistheid tot hetzelfde oordeel gekomen.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink                       w.g. Huijben

Lid van de enkelvoudige kamer            ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2007

313-531.