Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA4134

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-04-2007
Datum publicatie
02-05-2007
Zaaknummer
200604155/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDOR:2006:AW5619
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 november 2004 heeft appellant sub 1 (hierna: het college) vrijstelling en bouwvergunning verleend aan: I. appellante sub 4 (hierna: Multi Veste) voor het oprichten van een woon- en winkelgebouw met een parkeergarage op het perceel, plaatselijk bekend Achterom (oostzijde)/Bagijnhof te Dordrecht (hierna: besluit I); II. aan [vergunninghoudster] voor het oprichten van een woongebouw met achttien appartementen en winkelruimte c.a. op het perceel, plaatselijk bekend hoek Spuiboulevard - Achterom te Dordrecht (hierna: besluit II). Besluit II betreft een bouwvergunning eerste fase.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Besluit luchtkwaliteit
Besluit luchtkwaliteit 7
Besluit luchtkwaliteit 20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/819
ABkort 2007/252

Uitspraak

200604155/1.

Datum uitspraak: 24 april 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht,

2.    de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "PMN Holding B.V.", gevestigd te Dordrecht (thans: "P1 Off Street B.V.),

3.    de vereniging "Vereniging van Eigenaars Appartementencomplex Spuiboulevard 99 en Achterom 60 t/m 90" en anderen, gevestigd dan wel wonend te Dordrecht,

4.    de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Multi Veste 68 B.V.", gevestigd te Gouda,

appellanten,

tegen de uitspraak in de zaken nos. AWB 05/343, 05/714, 05/715 en 05/716 van de rechtbank Dordrecht van 28 april 2006 in het geding tussen:

appellante sub 2,

appellanten sub 3,

en

appellant sub 1.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 30 november 2004 heeft appellant sub 1 (hierna: het college) vrijstelling en bouwvergunning verleend aan: I. appellante sub 4 (hierna: Multi Veste) voor het oprichten van een woon- en winkelgebouw met een parkeergarage op het perceel, plaatselijk bekend Achterom (oostzijde)/Bagijnhof te Dordrecht (hierna: besluit I); II. aan [vergunninghoudster] voor het oprichten van een woongebouw met achttien appartementen en winkelruimte c.a. op het perceel, plaatselijk bekend hoek Spuiboulevard - Achterom te Dordrecht (hierna: besluit II). Besluit II betreft een bouwvergunning eerste fase.

Bij besluit van 31 mei 2005 heeft het college, voor zover hier van belang, de door appellanten sub 2 (hierna: P1) en sub 3 (hierna: de VVE en anderen) tegen besluit I gemaakte bezwaren ongegrond verklaard en aan de vrijstelling, voor zover deze betrekking heeft op besluit I, een nadere voorwaarde verbonden en besluit I aldus in stand gelaten. Bij besluit van 31 mei 2005 heeft het college, voor zover hier van belang, het door de VVE en anderen tegen besluit II gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en dit besluit in stand gelaten.

Bij besluit van 8 november 2005 heeft het college besluit I gewijzigd.

Bij uitspraak van 28 april 2006, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Dordrecht (hierna: de rechtbank), voor zover hier van belang, de door P1 en de VVE en anderen ingestelde beroepen tegen besluit I en het besluit van 8 november 2005 gegrond verklaard en deze besluiten vernietigd. Het tegen besluit II door de VVE en anderen ingestelde beroep heeft de rechtbank ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college bij brief van 8 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum en aangevuld bij brief van 7 juli 2006, P1 bij brief van 6 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum en aangevuld bij brief van 5 juli 2006, de VVE en anderen bij brief van 7 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op 8 juni 2006 en aangevuld bij brief van 5 juli 2006, en Multi Veste bij brief van 8 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op 9 juni 2006 en aangevuld bij brief van 30 juni 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 3 augustus 2006 heeft het college van antwoord gediend. Bij brief van 2 augustus 2006 hebben de VVE en anderen een reactie ingediend. P1 heeft bij brief van 28 september 2006 een reactie ingediend.

Bij besluit van 18 september 2006 heeft het college opnieuw beslist op de door P1 en de VVE en anderen gemaakte bezwaren tegen besluit I, de bezwaren ongegrond verklaard en de vrijstelling en bouwvergunning gehandhaafd. Bij brief van 26 oktober 2006 hebben de VVE en anderen hierop gereageerd. Bij brief van 3 november 2006 heeft P1 een reactie ingediend.

Bij brief van 20 november 2006 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van het college, P1 en de VVE en anderen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 maart 2007, waar het college, vertegenwoordigd door mr. N.S.J. Koeman, advocaat te Amsterdam, bijgestaan door N.J. van Klinken, E.M. Pronk en G.W. Slager, allen werkzaam bij de gemeente, en S.P.M. van den Akker, adviseur bij Peutz B.V., is verschenen. Aldaar zijn voorts gehoord, P1, vertegenwoordigd door mr. F. Hendriksen en F.L.T. Hylkema, advocaten te Den Haag, de VVE en anderen, vertegenwoordigd door mr. J.E. Dijk, advocaat te Dordrecht en Multi Veste, vertegenwoordigd door mr. F.M.G.M. Leyendeckers, advocaat te Utrecht. Tevens is als belanghebbende daar gehoord [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door mr. D.S.P. Fransen, advocaat te Amsterdam, [projectleider] en [directeur].

2.    Overwegingen

2.1.    De bouwplannen zijn in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Stadscentrum". Het bouwplan als vergund bij besluit II is tevens in strijd met het bestemmingsplan "Schil-West". Teneinde realisering van de bouwplannen mogelijk te maken, heeft het college toepassing gegeven aan artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO).

2.2.    Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van geen bezwaar is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

2.3.    Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 28 juni 2006, in zaakno. 200506294/1, AB 2006/236, overweegt de Afdeling ambtshalve het volgende.

2.3.1.    De door gedeputeerde staten in overeenstemming met de inspecteur vastgestelde lijst van categorieën van gevallen waarvoor met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling kan worden verleend, is een algemeen verbindend voorschrift. De bekendmaking daarvan dient ingevolge artikel 136, tweede lid, van de Provinciewet te geschieden door plaatsing in het provinciaal blad. Vast staat dat genoemde lijst ten tijde van de beslissingen op bezwaar van 31 mei 2005, zoals gewijzigd op 8 november 2005, niet op de voorgeschreven wijze was bekendgemaakt. Hieruit volgt dat het college niet bevoegd was om met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling te verlenen voor de bouwplannen.

   Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank het in bezwaar gehandhaafde besluit I derhalve terecht, zij het op andere gronden, vernietigd. Het in bezwaar gehandhaafde besluit II en de aangevallen uitspraak - voor zover deze betrekking heeft op besluit II - komen om deze reden ook voor vernietiging in aanmerking.

2.3.2.    Inmiddels heeft de bekendmaking van een door gedeputeerde staten in overeenstemming met de inspecteur vastgestelde lijst van categorieën van gevallen op de in de Provinciewet voorgeschreven wijze plaatsgevonden door plaatsing daarvan in het Provinciaal blad van Zuid-Holland, no. 44, uitgegeven op 6 juli 2006. Ingevolge die lijst wordt een specifieke verklaring van geen bezwaar verleend voor het bouwen en uitvoeren van werken en werkzaamheden die in overeenstemming zijn met die onderdelen van een bestemmingsplan waarmee gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur voor de ruimtelijke ordening, kunnen instemmen. Gedeputeerde staten hebben op 6 januari 2004 een dergelijke verklaring van geen bezwaar verleend voor het gebruik van gronden, de bouw van gebouwen en het uitvoeren van werken in overeenstemming met het hier aan de orde zijnde voorontwerp bestemmingsplan "Tweede partiële herziening Stadscentrum (plandeel Achterom-Bagijnhof)" (hierna: het voorontwerp bestemmingsplan). Deze verklaring was, na een verlenging, geldig tot 3 december 2005.

   Op 18 augustus 2006 heeft gedeputeerde staten in dit kader opnieuw een specifieke verklaring van geen bezwaar afgegeven voor de duur van zes maanden. Daarbij is bepaald dat indien binnen die termijn het ontwerp bestemmingsplan ter inzage wordt gelegd en vervolgens binnen de wettelijke termijn wordt vastgesteld, deze verklaring geldig blijft totdat gedeputeerde staten omtrent goedkeuring van het plan hebben beslist. Nu vast staat dat binnen de termijn van zes maanden geen ontwerp bestemmingsplan ter inzage is gelegd, is de geldigheid van deze specifieke verklaring van geen bezwaar thans verlopen, zodat het college ook nu niet bevoegd zou zijn vrijstelling te verlenen. Reeds om deze reden ziet de Afdeling geen grond om de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand te laten.

   Aan hetgeen appellanten tegen de besluiten I en II hebben aangevoerd, wordt derhalve niet toegekomen.

2.4.    Het college heeft naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank ten aanzien van besluit I op 18 september 2006 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Het college kon, anders dan P1 betoogt, ten tijde van de nieuwe beslissing op bezwaar gebruik maken van de specifieke verklaring van geen bezwaar van 18 augustus 2006. In de door gedeputeerde staten vastgestelde lijst van categorieën van gevallen is weliswaar bepaald dat de verklaring geldig blijft tot twee jaar na het besluit van gedeputeerde staten, niet bepaald is dat gedeputeerde staten na verloop van deze twee jaren niet opnieuw een verklaring van geen bezwaar mochten verlenen. Anders dan P1 betoogt, was er ten tijde van de nieuwe beslissing op bezwaar geen grond om aan te nemen dat de procedure tot herziening van het bestemmingsplan door de gemeenteraad van Dordrecht niet zou worden voortgezet.

2.5.    Aangezien bij deze nieuwe beslissing op bezwaar niet aan de bezwaren van P1 en de VVE en anderen is tegemoetgekomen, wordt het hoger beroep van hen, gelet op artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht mede een beroep tegen dit besluit in te houden.

2.6.    Het bouwplan voorziet in een woon- en winkelgebouw met een parkeergarage aan de oostzijde van het Achterom en het Bagijnhof met ruimte voor 428 parkeerplaatsen. Het voorontwerp bestemmingsplan dient als ruimtelijke onderbouwing van de vrijstelling.

2.7.    P1 betoogt dat het college geen deugdelijk onderzoek heeft verricht naar de parkeerbehoefte in de binnenstad van Dordrecht. Zij voert aan dat het college bij de berekening van de parkeerbehoefte ten onrechte 10.000 m2 bestaand winkelvloeroppervlak heeft betrokken en er ten onrechte van uitgaat dat parkeerplaatsen in de parkeergarage aan de Visstraat zullen vervallen. Voorts betoogt zij dat de bezettingsgraad in de nieuwe parkeergarage zodanig laag zal zijn, dat een nieuwe parkeergarage niet noodzakelijk is.

2.7.1.    Blijkens het voorontwerp bestemmingsplan en de "Notitie noodzaak parkeergarage Achterom", vervat in de brief van het college van 2 februari 2005, past de voorziene parkeergarage in de plannen van het college tot revitalisering van de binnenstad van Dordrecht. Een autoluwe binnenstad is hierbij het uitgangspunt, waarbij het parkeren zoveel mogelijk zou moeten worden geconcentreerd. Momenteel bedraagt de bezettingsgraad van de bestaande parkeergarages in de binnenstad volgens deze notitie op piekmomenten, zoals bijvoorbeeld de zaterdag, ongeveer 95%. Gemiddeld, dat wil zeggen zeven dagen per week gedurende vierentwintig uur, bedraagt de bezettingsgraad 35%. Door het verdwijnen van straatparkeerplaatsen, de ontwikkeling van het Achterom en het Hofkwartier, de groei van het aantal bezoekers en bewoners, de vergroting van de werkgelegenheid, de verwachte toename van het autobezit met 10% en de langere bezetting van het aantal parkeerplaatsen zal volgens het college een parkeerbehoefte ontstaan van circa 1840 extra plaatsen. Hierbij is rekening gehouden met het aantal bestaande parkeerplaatsen in de parkeergarage aan de Visstraat. Deze uitgangspunten komen de Afdeling niet onjuist voor.

   In hetgeen P1 heeft aangevoerd, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college onvoldoende dan wel ondeugdelijk onderzoek heeft verricht naar de parkeerbehoefte in de binnenstad. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat blijkens de overgelegde stukken 300 parkeerplaatsen in de voorziene parkeergarage zullen dienen ter vervanging van parkeerplaatsen op straat. Het bedrijfseconomisch belang van P1 dat zich verzet tegen de exploitatie van de voorziene parkeergarage kan voorts niet leiden tot het oordeel dat het college niet in redelijkheid de verleende vrijstelling heeft kunnen handhaven. Dat belang is planologisch niet relevant. Het betoog faalt derhalve.

2.8.    Uit artikel 37 van het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: het Blk 2005) volgt dat dit besluit op dit geschil van toepassing is.

   Ingevolge artikel 20 van het Blk 2005 gelden voor zwevende deeltjes de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

a.    40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie;

b.    50 microgram per m3 als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal vijfendertig maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

   Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Blk 2005, voor zover hier van belang, nemen bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden dan wel bij de toepassing van wettelijke voorschriften die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, de in paragraaf 2 genoemde grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10) in acht.

2.9.    P1 en de VVE en anderen voeren aan dat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat na de verwezenlijking van het bouwplan de grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie PM10, met gebruikmaking van de toegestane overschrijding van maximaal 35 dagen per kalenderjaar, in acht zal worden genomen. P1 stelt in dit kader dat in het rapport van Peutz B.V. van 14 juli 2006, kenmerk FL 17066-5, waar het college zich op heeft gebaseerd bij de beoordeling van de gevolgen van het bouwplan voor de luchtkwaliteit, is uitgegaan van onjuiste verkeersintensiteiten. Volgens haar is het uitgangspunt dat de jaarlijkse toename van het aantal motorvoertuigen per etmaal op het Achterom groter zal zijn dan het aantal voertuigen per etmaal op de Spuiboulevard, onjuist. De VVE en anderen betogen dat wat betreft de verkeersbewegingen van de stadsbussen aan de Spuiboulevard geen sprake is van doorstromend stadsverkeer omdat een aantal stadsbussen hun begin- en/of eindhalte ter plaatse hebben. Voorts verwachten zij dat op de Spuiboulevard file zal ontstaan als gevolg van wachtende auto's voor de beoogde parkeergarage. P1 voert verder aan dat de luchtkwaliteit nabij de Johan de Wittstraat en de Bagijnhof ten onrechte niet is onderzocht.

2.9.1.    Peutz B.V. heeft onderzocht wat de gevolgen van het bouwplan zijn voor de luchtkwaliteit ter plaatse. Tevens heeft zij een vergelijking van de luchtkwaliteit na realisering van het bouwplan met de luchtkwaliteit bij de autonome ontwikkeling gemaakt. In het rapport is uitgegaan van het snelheidstype "doorstromend stadsverkeer" voor de Spuiboulevard en "stagnerend stadsverkeer" voor het Achterom en van verkeersintensiteiten die zijn aangeleverd door de gemeente Dordrecht.

   In het rapport staat vermeld dat de motorvoertuigen afkomstig van de voorziene parkeergarage via het zuidelijk deel van het Achterom zullen rijden. Dat verkeer zal zich dan gelijkelijk verdelen over het westelijk en oostelijk deel van de Spuiboulevard en vice versa. Deze uitgangspunten komen de Afdeling niet onjuist voor. Het college heeft dan ook op goede gronden een onderzoek naar de luchtkwaliteit nabij de Johan de Wittstraat en de Bagijnhof achterwege kunnen laten. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het niet aannemelijk is dat motorvoertuigen de Spuiboulevard zullen naderen via het noordelijk deel van het Achterom, de Bagijnhof en de Johann de Wittstraat omdat dit geen rechtstreekse aanrijroute is. De jaarlijkse toename van het aantal motorvoertuigen per etmaal op het westelijk en oostelijk deel van de Spuiboulevard zal volgens het rapport groter zijn dan de toename van het aantal motorvoertuigen op het Achterom. Nu niet aannemelijk is geworden dat dit uitgangspunt onjuist is, mist het beroep in zoverre feitelijke grondslag.

   Verder hebben de VVE en anderen niet aannemelijk gemaakt dat het snelheidstype "doorstromend stadsverkeer" niet representatief is voor de feitelijke situatie op de Spuiboulevard. De Spuiboulevard is een ontsluitingsweg voor het verkeer van en naar de binnenstad van Dordrecht en het snelheidstype "doorstromend stadsverkeer" komt overeen met een gemiddelde snelheid van 26 kilometer per uur. In aansluiting op de uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling van 8 maart 2007, in zaak no. 200608414/2, overweegt de Afdeling dat bij dit snelheidstype rekening is gehouden met doorstroomvariaties veroorzaakt door bijvoorbeeld stoplichten of bushalten. De betogen falen derhalve.

2.9.2.     De VVE en anderen voeren aan dat het college ten onrechte is uitgegaan van een te lage achtergrondconcentratie voor PM10. Zij betogen voorts dat het college ten onrechte de zogeheten zeezoutaftrek als bedoeld in artikel 5 van het Blk 2005, in samenhang gelezen met artikel 12, zesde lid, van de Meetregeling luchtkwaliteit 2005, heeft toegepast. Zij stellen dat de zeezoutaftrek in strijd is met de Richtlijn van de Raad van de Europese Unie van 22 april 1999 betreffende grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes en lood in de lucht (Richtlijn 99/30/EG, hierna: de eerste dochterrichtlijn).

2.9.3.    De VVE en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat in het onderzoek van Peutz B.V., waarbij gebruik is gemaakt van het berekeningsmodel CAR II, versie 5.0, is uitgegaan van een te lage achtergrondconcentratie voor zwevende deeltjes. Het enkele feit dat in een voorgaande versie van genoemd model van een hogere achtergrondconcentratie voor zwevende deeltjes werd uitgegaan, is daarvoor onvoldoende. Geen aanleiding bestaat dan ook voor het oordeel dat het college zich bij zijn besluitvorming niet heeft mogen baseren op de resultaten van dit onderzoek.

   Voorts staat in het rapport van Peutz B.V. dat na de verwezenlijking van het bouwplan, ook zonder toepassing van de zeezoutaftrek, op alle meetpunten, uitgezonderd het meetpunt op het westelijk deel van de Spuiboulevard in 2007, de grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie zwevende deeltjes niet meer dan 35 dagen per kalenderjaar zal worden overschreden. Ter plaatse van het meetpunt op het westelijk deel van de Spuiboulevard zal de luchtkwaliteit in 2007 na realisering van het bouwplan niet verschillen met de autonome situatie. Nu de luchtkwaliteit op deze plaats in 2007 ten gevolge van de verwezenlijking van het bouwplan ten minste gelijk blijft, heeft het college daarin geen aanleiding behoeven te zien om op deze grond bouwvergunning en vrijstelling te weigeren. Het antwoord op de vraag of de toegepaste zeezoutaftrek in strijd is met de eerste dochterrichtlijn kan derhalve in het midden blijven. Het betoog faalt.

2.9.4.    P1 betoogt dat niet inzichtelijk is of de grenswaarden uit het Blk 2005 in acht kunnen worden genomen nu in het onderzoek van Peutz B.V. de emissiekentallen zijn afgerond. Zij verwijst hierbij naar de afrondingsregels uit het Meet- en rekenvoorschrift bevoegdheden luchtkwaliteit (hierna: het Meet- en rekenvoorschrift).

2.9.5.    Het Meet- en rekenvoorschrift is eerst na de nieuwe beslissing op bezwaar in werking getreden zodat deze afrondingsregels niet van toepassing zijn. Overigens volgt uit een memo van Peutz B.V. van 16 februari 2007, kenmerk SvdA/NM/FL 17066-2ME, waar de afrondingregels uit het Meet- en rekenvoorschrift zijn gebruikt, dat na verwezenlijking van het bouwplan de grenswaarden voor zowel stikstofdioxide als zwevende deeltjes in acht genomen zullen kunnen worden. Het betoog van P1 faalt in zoverre.

2.9.6.    In de enkele stelling van de VVE en anderen dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom vanaf 2010 de jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide zal afnemen, bestaat geen grond voor het oordeel dat de grenswaarde niet haalbaar zal zijn. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de achtergrondconcentratie van stikstofdioxide vanaf 2006 zal afnemen. Het betoog faalt.

2.10.    De hoger beroepen van P1, de VVE en anderen en Multi Veste zijn gegrond. De aangevallen uitspraak dient, voor zover het betreft besluit I en het besluit van 8 november 2005, met verbetering van de gronden waarop zij rust, te worden bevestigd. De aangevallen uitspraak dient voor wat betreft besluit II te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling besluit II vernietigen. Het hoger beroep van het college is ongegrond.

   Het beroep van P1 en de VVE en anderen tegen het besluit van 18 september 2006 is ongegrond.

2.11.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart de hoger beroepen van P1, de VVE en anderen en Multi Veste gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 28 april 2006 in de zaken nos. AWB 05/343, 05/714, 05/715 en 05/716 voor zover het beroep van de VVE en anderen tegen besluit II ongegrond is verklaard;

III.    bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover besluit I en het besluit van 8 november 2005 zijn vernietigd;

IV.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep van de VVE en anderen tegen besluit II gegrond;

V.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht van 31 mei 2005, voor zover het besluit II betreft;

VI.    verklaart het beroep van P1 en de VVE en anderen tegen het besluit van 18 september 2006 ongegrond;

VII.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht tot vergoeding van bij P1 in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshondervierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Dordrecht aan P1 onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VIII.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht tot vergoeding van bij de VVE en anderen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 656,70 (zegge: zeshonderdzesenvijftig euro en zeventig cent), voor een gedeelte groot € 644,00 toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Dordrecht aan de VVE en anderen onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IX.    gelast dat de gemeente Dordrecht aan P1 het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 422,00 (zegge: vierhonderdtweeëntwintig euro) vergoedt;

X.    gelast dat de gemeente Dordrecht aan de VVE en anderen het door hen voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 422,00 (zegge: vierhonderdtweeëntwintig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. B.J. van Ettekoven en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom         w.g. Van Driel

Voorzitter           ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2007

414