Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA4131

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-04-2007
Datum publicatie
02-05-2007
Zaaknummer
200701618/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 december 2006 heeft verweerder aan verzoekster een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor de productie van melk- en melkproducten op het perceel Gildenstraat 30 te Nijkerk. Dit besluit is op 25 januari 2007 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200701618/2.

Datum uitspraak: 23 april 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Friesland Foods B.V.", gevestigd te Meppel,

verzoekster,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2006 heeft verweerder aan verzoekster een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor de productie van melk- en melkproducten op het perceel Gildenstraat 30 te Nijkerk. Dit besluit is op 25 januari 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 2 maart 2007, bij de Raad van State ingekomen op 5 maart 2007, beroep ingesteld.

Bij brief van 2 maart 2007, bij de Raad van State ingekomen op 5 maart 2007, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 12 april 2007, waar verzoekster, vertegenwoordigd door [gemachtigden], werkzaam bij verzoekster, en ir. E.C. Koets, werkzaam bij Energie-Consult,  en verweerder, vertegenwoordigd door drs. M.C. Zweerman en ing. E. Lambrechts, ambtenaren van de provincie, en L. Duindam, werkzaam bij Hulpverlening Gelderland Midden, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Het verzoek van verzoekster richt zich uitsluitend tegen het aan de vergunning verbonden voorschrift 10.1.4 voor zover dit voorschrift betrekking heeft op compartiment 3 binnen de inrichting. Volgens verzoekster is de uitleg die verweerder, in navolging van de regionale brandweer, geeft aan de wijze waarop aan dit voorschrift toepassing moet worden gegegeven, onjuist. Volgens verzoekster behoeft compartiment 3 op grond van de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 13 (hierna: de PGS 13) niet aan vier zijden brandwerend te worden uitgevoerd.

2.2.1.    In vergunningvoorschrift 10.1.4 is bepaald dat een machinekamer (onder andere compartiment 3, tekening G04, en compartiment 20, tekening G05) moet voldoen aan de paragrafen 5.2, 5.3, 5.5, 5.6 en 5.7 van de PGS 13.

   In paragraaf 5.7 van de PGS 13, voor zover hier van belang, is bepaald dat buitenmuren en muren van brandcompartimenten als geheel afsluitbare brandmuren moeten worden uitgevoerd.

2.2.2.    Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat één van de zijden van de thans in het geding zijnde machinekamer, die op plattegrondtekening G04 bij de aanvraag is aangeduid als compartiment 3, bestaat uit een glazen pui. De Voorzitter overweegt dat de onderhavige procedure zich niet leent voor de beantwoording van de vraag, of de in paragraaf 5.7 van de PGS 13 opgenomen eis dat buitenmuren van brandcompartimenten als geheel afsluitbare brandmuren moeten worden uitgevoerd voor de thans in het geding zijnde machinekamer de consequentie heeft, dat deze aan vier zijden brandwerend moet worden uitgevoerd. Met name over de vraag of de betreffende paragraaf al dan niet ten onrechte in de PGS 13 is overgenomen uit voorafgaande toepasselijke voorschriften kan niet in deze procedure in beslissende zin worden besloten. De Afdeling zal in de bodemprocedure hierover uitsluitsel moeten bieden. In afwachting daarvan en in aanmerking genomen de ingrijpende aard van de maatregel en de hoogte van de daarmee gemoeide kosten ziet de Voorzitter, na afweging van de betrokken belangen, aanleiding om de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.3.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 16 januari 2007, kenmerk MPM840, voor zover in voorschrift 10.1.4 wordt bepaald dat paragraaf 5.7 van de PGS 13 op compartiment 3 van toepassing is;

II.    gelast dat de provincie Gelderland aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A. Douwes, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen                                 w.g. Douwes

Voorzitter                                    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2007

443