Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA3786

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-04-2007
Datum publicatie
25-04-2007
Zaaknummer
200608280/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLEE:2006:AY9587, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 augustus 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Terschelling (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast de recreatiewoning, oppervlakte verhardingen, hekken en coniferen op zijn perceel [locatie] te Terschelling te verwijderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2008, 59

Uitspraak

200608280/1.

Datum uitspraak: 25 april 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 05/1858 van de rechtbank Leeuwarden

van 2 oktober 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Terschelling.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 13 augustus 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Terschelling (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast de recreatiewoning, oppervlakte verhardingen, hekken en coniferen op zijn perceel [locatie] te Terschelling te verwijderen.

Bij besluit van 9 september 2005 heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 oktober 2006, verzonden op 3 oktober 2006, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 14 november 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 19 januari 2007 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 maart 2007, waar appellant, in persoon en bijgestaan door mr. W.G.C. Wijsman, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door H.T. Smit, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    De oorspronkelijke recreatiewoning bestond uit een houten keet met stenen aanbouw. Daaraan heeft appellant de volgende werkzaamheden laten verrichten: het vervangen van het dak, de kozijnen, een deel van de vloer, de boeidelen en de planken aan de buitenzijde van de woning, het omkleden van de stenen buitenmuren met nieuwe planken, het plaatsen van een nieuwe keuken en een nieuwe badkamer, het aanbrengen van een centrale verwarming en het betrekken van een open gedeelte aan de oostzijde van de woning bij de woning. Voorts heeft appellant ter plaatse van de recreatiewoning oppervlakte verharding voor een oprit en een terras aangebracht en een haag van coniferen geplant, zonder dat hij beschikte over de vereiste aanlegvergunning.

2.2.    De rechtbank is tot het juiste oordeel gekomen dat ten aanzien van de recreatiewoning van gewoon onderhoud als bedoeld in artikel 43, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet in dit geval geen sprake is geweest en dat gezien de omvang van de werkzaamheden die verricht zijn en het resultaat daarvan sprake is van gehele vernieuwing van de woning.

2.3.    De conclusie is dat is gehandeld in strijd met artikel 40, eerste lid, van de Woningwet, zodat het college terzake handhavend kon optreden.

   Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4.    De rechtbank is op goede gronden tot het juiste oordeel gekomen dat appellant geen geslaagd beroep op het overgangsrecht kan doen en dat geen concreet uitzicht op legalisatie bestaat, hetgeen door appellant ook niet wordt betwist.

2.5.    Anders dan appellant heeft betoogd is de rechtbank op goede gronden tot het juiste oordeel gekomen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat gezien de omvang en ingrijpendheid van de veranderingen en vernieuwingen van de recreatiewoning, herstel in de oorspronkelijke staat niet meer mogelijk is. Weliswaar wordt appellant door het besluit van het college onmiskenbaar (financieel) getroffen, maar het college heeft kunnen concluderen dat, mede gezien de ernst van de overtreding en het gewicht dat moet worden gehecht aan het algemeen belang bij handhaving, handhavend optreden in dit geval niet zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden behoorde te worden afgezien. De rechtbank is ook tot die slotsom gekomen.

2.6.    Appellant heeft eerst in de na afloop van het vooronderzoek ingediende memorie van 15 maart 2007 gesteld dat sprake is van onderhoud van de bestaande oppervlakte verhardingen en niet van nieuw aangelegde oppervlakte verhardingen. Aangezien niet valt in te zien dat appellant zijn stelling niet reeds in het hoger-beroepschrift naar voren had kunnen brengen en hij geen gebruik heeft gemaakt van de hem op zijn verzoek gegunde termijn voor het indienen van een nadere motivering van het hoger beroep, dient deze wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te blijven.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Boot

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2007

202