Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA3785

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-04-2007
Datum publicatie
25-04-2007
Zaaknummer
200607762/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 augustus 1999 heeft de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan appellant een tegemoetkoming toegekend van ƒ 1.455,35 (€ 660,41) en een deel van het betaalde voorschot, te weten ƒ 28.544,65 (€ 12.953,00), teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200607762/1.

Datum uitspraak: 25 april 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 05/2173 van de rechtbank 's-Gravenhage van 18 september 2006 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 27 augustus 1999 heeft de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan appellant een tegemoetkoming toegekend van ƒ 1.455,35 (€ 660,41) en een deel van het betaalde voorschot, te weten ƒ 28.544,65 (€ 12.953,00), teruggevorderd.

Bij besluit van 22 februari 2005 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de Minister) het daartegen door appellant gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, de tegemoetkoming vastgesteld op ƒ 13.881,00 (€ 6.298,92) en het terug te vorderen bedrag nader vastgesteld op ƒ 16.119,00 (€ 7.314,00).

Bij uitspraak van 18 september 2006, verzonden op 20 september 2006, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 24 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op 25 oktober 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 21 november 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 22 december 2006 heeft de Minister van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 maart 2007, waar appellant, bijgestaan door mr. L.J. van Pelt, juridisch adviseur bij LTO Noord Advies te Haarlem, en de Minister, vertegenwoordigd door mr. R.Th.G. van der Veldt, advocaat te Amsterdam, bijgestaan door M. Egbrink, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.        Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder e, i en j, van Wet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen (hierna: de WTS), die bij koninklijk besluit van 12 januari 1999 (Stb. 1999, 33) van toepassing is verklaard op de schade en kosten die zijn ontstaan ten gevolge van de extreem zware regenval op 13 en 14 september 1998, voor zover thans van belang, heeft een gedupeerde recht op een tegemoetkoming in de hierna te noemen categorieën van schaden, voor zover de schade die hij heeft geleden het rechtstreeks en onmiddellijk gevolg is van een ramp waarop deze wet van toepassing is verklaard, alsmede in de hierna genoemde categorieën kosten die daarmee verband houden:

    (…)

    e. de teelplanschade, waaronder wordt verstaan het financieel verlies

    dat is geleden door een mindere opbrengst dan redelijkerwijs mocht

    worden verwacht gedurende een bij ministeriële regeling te bepalen

    schadetermijn als gevolg van verlies of beschadiging van gewassen,

    waardoor een vermindering in kwantiteit of kwaliteit is ontstaan of als

    gevolg van het niet of niet tijdig kunnen uitvoeren van de voorgenomen

    teelt van gewassen.

    (…)

    i. de bereddingskosten per risicoadres, waaronder worden verstaan de kosten die de gedupeerde heeft gemaakt in verband met het treffen van maatregelen ter voorkoming of beperking van schade of kosten, voor zover verschuldigd aan derden of toe te rekenen aan arbeid in eigen beheer volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen regels.

        Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, wordt de hoogte van de tegemoetkoming volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen regels voor zover het de schade betreft berekend met inachtneming van de schaderapporten, bedoel in artikel 5, en het tweede tot en met het vierde lid.

2.2.    Ingevolge artikel 4, aanhef en onder e, van het Besluit tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen, voor zover thans van belang, wordt de hoogte van de tegemoetkoming voor zover het betreft de schade, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder e, van de WTS, berekend op basis van de mindere opbrengst gedurende de schadetermijn, bedoeld in genoemd artikelonderdeel, verminderd met de bespaarde kosten, waaronder zijn begrepen de variabele kosten en de kosten van een werkgever voor zijn werknemers, voor zover deze werknemers als gevolg van een al dan niet tijdelijk verlies aan betaalde arbeidsuren recht hebben op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet. Onder de mindere opbrengst wordt verstaan de opbrengst die redelijkerwijs verwacht mocht worden, berekend op basis van de integrale kostprijs en in voorkomend geval verminderd met de gerealiseerde opbrengst tegen marktwaarde.

2.3.    Ingevolge artikel 2 van de Regeling tegemoetkoming schade bij extreem zware regenval 1998 (hierna: de WTS-Regeling) is deze regeling van toepassing op de schade en kosten die zijn ontstaan als gevolg van de extreem zware regenval op 13 en 14 september 1998.

    Ingevolge artikel 6 bedraagt de hoogte van de tegemoetkoming in de kosten, bedoeld in artikel 4, aanhef en aanhef en onderdelen i en j, van de WTS, gemaakt ter voorkoming, beperking of opruiming van schade als bedoeld in de artikelen 4 en 5, 65 % van het kostenbedrag.

    Ingevolge artikel 9 bedraagt de hoogte van de tegemoetkoming in de schade, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel e, van de WTS, 65% van het schadebedrag.

2.4.    De bij de WTS-Regeling behorende Beleidsregels voor de toekenning van teeltplanschade op grond van de WTS-Regeling (hierna: de Beleidsregels, Stcrt. 1998, 208, p. 9) schrijven voor dat de teeltplanschade wordt berekend volgens de formule:

A x B x C - D, waarbij

A = de oppervlakte van het teeltareaal dat schade heeft ondervonden als gevolg van de gebeurtenissen van 13 en 14 september 1998;

B = het percentage van de redelijkerwijs te verwachten opbrengst die in de schadetermijn verloren gaat door vermindering van kwaliteit of kwantiteit als gevolg van het evenement;

C = het bedrag dat volgens de bijlage als opbrengst voor de vastgestelde categorie gewassen is vastgesteld, dan wel, bij gebreke daarvan, de opbrengst welke redelijkerwijs mocht worden verwacht voor de geteelde gewassen (uitgedrukt in een bedrag per oppervlakte-eenheid);

D = de kosten welke geacht kunnen worden te zijn bespaard voor de productie, oogst, bewerking, bewaring en afzet van de verloren gegane opbrengst.

    In de bijlage staat als bedrag dat als opbrengst voor chrysanten (onbelicht) is gesteld, ƒ 80,00 (€ 36,30).

2.5.    Bij besluit van 22 februari 2005 heeft de Minister de teeltplanschade van appellant vastgesteld op ƒ 6.807,00 (€ 3.088,88). Daarbij is de Minister uitgegaan van een factor A van 13.500 m2, een factor B - de redelijkerwijs te verwachten opbrengst na de schadedatum van ƒ 20,22 (€ 9,18) per m2 minus de vanaf week 37 tot het einde van de oogst op het schadeoppervlak werkelijke opbrengst van ƒ 19,67 (€ 8,93) per m2 gedeeld door de desbetreffende KWIN-norm (de Kwantitatieve Informatie voor de Glastuinbouw 1998) van ƒ 80,00 (€ 36,30) per m2 - van 0,69%, en een factor C van de voor chrysanten (onbelicht) geldende KWIN-norm van ƒ 80,00 (€ 36,30) per m 2. De Minister heeft de bereddingskosten vastgesteld op ƒ 14.548,00 (€ 6.601,59). Ten aanzien van de aanschaf van 1.050 kilo kalisalpeter voor een bedrag van ƒ 1.151,85 (€ 522,69) heeft de Minister te kennen gegeven dat deze niet voor een tegemoetkoming in aanmerking komen. De Minister heeft het bedrag van de tegemoetkoming gelet op de artikelen 6 en 9 van de WTS-Regeling vastgesteld op ƒ 13.881,00 (€ 6.298,92).

Aangezien een voorschot van ƒ 30.000,00 (€ 13.613,41) was verleend, heeft de Minister van appellant een bedrag van ƒ 16.119,00 (€ 7.314,00) teruggevorderd.

2.6.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de Minister ten onrechte is uitgegaan van de KWIN-norm van ƒ 80,00 (€ 36,30) per m2, aangezien geen rekening is gehouden met de nieuwe outillage van zijn bedrijf. Volgens appellant dient te worden uitgegaan van een opbrengt van ƒ 90,00 (€ 40,84) per m2 en wijkt dit significant af van de desbetreffende KWIN-norm.

2.6.1.    Bij het vaststellen van de normen in de bijlage bij de Beleidsregels is blijkens de toelichting daarop uitgegaan van de toen meest recente KWIN-normen, die zijn gebaseerd op per product en per regio voortschrijdende gemiddelde gegevens over de per teelt(cyclus) gerealiseerde productie en opbrengst in de afgelopen drie jaar. Deze gegevens zijn samengesteld door de Praktijkinstituten van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Visserij op basis van gegevens van het Landbouw Economisch Instituut en het Centraal Bureau voor de Statistiek.

    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 18 september 2002 in zaak no. 200106074/1), mogen in beginsel de KWIN-normbedragen in de bijlage bij de Beleidsregels, waarvan de juistheid als algemeen uitgangspunt door appellant ook niet is betwist, worden toegepast. Toepassing van deze normen komt echter in strijd met artikel 4, eerste lid, aanhef onder e, van de WTS, indien een aanvrager aannemelijk maakt dat zijn productiemethode zodanig afwijkt van de productiemethode van de bedrijven waarop de gegevens van de KWIN zijn gebaseerd, dat de norm niet aansluit op de redelijkerwijs te verwachten opbrengst van het door hem geteelde gewas.

2.6.2.    Vaststaat dat appellant in 1997 is begonnen met een nieuw glastuinbouwbedrijf, dat hij in september 1997 met de teelt van chrysanten is gestart en dat de productie in de eerste winter 1997/1998 tegenviel als gevolg van niet goed functionerende meetboxen. Appellant heeft om die reden geen historische gegevens kunnen overleggen op grond waarvan de Minister kon vaststellen dat de door hem in het verleden een significant hogere opbrengst met chrysanten (onbelicht) is behaald die een afwijking van de KWIN-norm rechtvaardigen.

    Appellant heeft ook verder niet aannemelijk gemaakt dat zijn productiemethode zodanig afwijkt van de productiemethode van de bedrijven waarop de gegevens van de KWIN voor dit gewas zijn gebaseerd, dat de norm niet aansluit op de redelijkerwijs te verwachten opbrengst van het door hem geteelde gewas. Het door appellant gestelde bedrag van ƒ 90,00 (€ 40,84) per m2 is niet als een significante afwijking van de KWIN-norm aan te merken. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de Minister van de desbetreffende KWIN-norm mocht uitgaan.

2.7.    Appellant betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat sprake is van kwaliteitsschade, aangezien uit de veilingoverzichten blijkt dat hij voor chrysanten (onbelicht) een lagere middenprijs heeft gekregen dan het veilinggemiddelde.

2.7.1.    Ingevolge artikel 4, aanhef en onder e, van de WTS is sprake van schade, indien sprake is van "een mindere opbrengst dan redelijkerwijs mocht worden verwacht". De Minister hanteert daarbij als beleidsuitgangspunt dat hiervan sprake is indien wordt geveild in een lagere kwaliteitsklasse dan verwacht. Dat uitgangspunt acht de Afdeling niet in strijd met het recht. Nu uit de door appellant overgelegde veilinggegevens niet blijkt dat appellant zijn gewas in een andere kwaliteitsklasse heeft geveild, heeft de Minister terecht niet aannemelijk geacht dat sprake is van een mindere opbrengst dan redelijkerwijs mocht worden verwacht, als bedoeld in voormelde bepaling. De rechtbank is tot eenzelfde oordeel gekomen.

2.8.    Appellant betoogt verder tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat de Minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de kosten voor de aanschaf van 1.050 kilo kalisalpeter niet voor een tegemoetkoming in aanmerking komen. De Minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat deze niet als teeltplanschade, dan wel als bereddingskosten voor een tegemoetkoming in aanmerking komen.

2.9.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B.F.C. van Rheenen, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Van Rheenen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2007

385