Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA3779

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-04-2007
Datum publicatie
25-04-2007
Zaaknummer
200605196/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 maart 2004, bekend gemaakt bij brief van 22 maart 2004, heeft appellant sub 1 (hierna: het college) geweigerd aan appellant sub 2 bouwvergunning te verlenen voor het uitbreiden van de woning op het perceel, plaatselijk bekend, [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200605196/1.

Datum uitspraak: 25 april 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    het college van burgemeester en wethouders van Zederik,

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nos. 06/694 en 06/792 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht van 12 juni 2006 in het geding tussen:

[wederpartijen],

en

appellant sub 1.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 19 maart 2004, bekend gemaakt bij brief van 22 maart 2004, heeft appellant sub 1 (hierna: het college) geweigerd aan appellant sub 2 bouwvergunning te verlenen voor het uitbreiden van de woning op het perceel, plaatselijk bekend, [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 24 december 2004, bekend gemaakt bij brief van 28 december 2004, heeft het college het door appellant sub 2 daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 november 2005, heeft de rechtbank Dordrecht (hierna: de rechtbank) het door appellant sub 2 daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Bij besluit van 3 mei 2006 heeft het college het bezwaar van appellant sub 2 tegen het besluit van 19 maart 2004 alsnog gegrond verklaard, dat besluit herroepen en aan appellant sub 2 alsnog bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van de woning op het perceel.

Bij uitspraak van 12 juni 2006, verzonden op 27 juni 2006, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (hierna: de voorzieningenrechter), het door [wederpartijen] tegen het besluit van 3 mei 2006 ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college bij brief van 11 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op 13 juli 2006, en appellant sub 2 bij brief van 3 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op die dag, hoger beroep ingesteld. Appellant sub 2 heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brieven van 3 augustus 2006 en 23 oktober 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brieven van 17 oktober 2006 en 10 november 2006 hebben [wederpartijen], die in de gelegenheid zijn gesteld als partijen aan het geding deel te nemen, een reactie ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [wederpartijen] en van het college. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 maart 2007, waar het college, vertegenwoordigd door mr. C.E.J. van Buren-Buijs, ambtenaar van de gemeente, en appellant sub 2, in persoon, bijgestaan door mr. P.A. van Lange, advocaat te Dordrecht, zijn verschenen. Voorts zijn [wederpartijen], als belanghebbenden, daar gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Op het perceel rust ingevolge het geldende bestemmingsplan "Kernen" (hierna: het bestemmingsplan) de bestemming "Woondoeleinden".

   Ingevolge artikel 1, onder 12, van de planvoorschriften wordt onder een hoofdgebouw verstaan, een gebouw dat op een bouwperceel door zijn aard, functie, constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.

   Ingevolge artikel 1, onder 13, van de planvoorschriften wordt onder een aan- of uitbouw verstaan, een aan een hoofdgebouw aangebouwd gebouw of een deel van een hoofdgebouw, in functioneel en in bouwkundig opzicht zodanig met het hoofdgebouw verbonden, dat het daarmee één geheel vormt, terwijl het in bouwkundig opzicht wel herkenbaar blijft als een afzonderlijke uiterlijk ondergeschikte aanvulling op het hoofdgebouw.

2.2.    Appellanten betogen dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de uitbreiding als aan- dan wel een uitbouw van de reeds bestaande woning dient te worden beschouwd, welke niet voldoet aan de daaraan in de bouwvoorschriften gestelde afmetingen.

2.2.1.    Dit betoog slaagt. Ingevolge de planvoorschriften is een aan- of uitbouw in bouwkundig opzicht ondergeschikt aan het hoofdgebouw. Blijkens het bouwplan is van een dergelijke ondergeschiktheid geen sprake. Door de realisering van het bouwplan wordt de kap van het hoofdgebouw doorgetrokken en heeft het te realiseren bouwwerk dezelfde goothoogte, alsmede hetzelfde aantal bouwlagen als het hoofdgebouw. Daarnaast vervult het te realiseren bouwwerk dezelfde functie als de reeds bestaande woning, nu er onder meer een slaapruimte, een badkamerruimte en een woonruimte in zijn voorzien. Aldus is geen sprake van een met de bouwvoorschriften strijdige aan- of uitbouw, doch van een uitbreiding van het hoofdgebouw in de zin van de planvoorschriften. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.3.    De hoger beroepen zijn gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de overige niet door de rechtbank behandelde beroepsgronden beoordelen.

2.4.    [wederpartijen] betogen dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan niet strijdig is met het bestemmingsplan.

2.4.1.    Dit betoog slaagt niet.

    Ten aanzien van de ingevolge de planvoorschriften aan te houden minimumafstand tot de zijerfgrens heeft het college zich met juistheid op het standpunt gesteld dat daarvoor niet (mede) de erfgrens met het perceel van [wederpartijen] heeft te gelden, nu deze grens ingevolge artikel 1, zestiende en zeventiende lid, van de planvoorschriften de achtererfgrens is van het perceel.

    Het college heeft zich, anders dan [wederpartijen] betogen, voorts met juistheid op het standpunt gesteld dat de in de planvoorschriften opgenomen maximum goothoogte van 3 meter en het bebouwingspercentage van 50 voor bijgebouwen niet van toepassing is op hoofdgebouwen.

    [wederpartijen] kunnen ook niet worden gevolgd in hun betoog dat de in het bestemmingsplan voorgeschreven open structuur van het bouwblok zich tegen verlening van de vergunning verzet, nu een dergelijke eis geen deel uitmaakt van de planvoorschriften.

    Dat in een brochure zou staan dat het niet gewenst is dat een achtererf of een zijerf voor meer dan vijftig procent is bebouwd, doet er niet aan af dat het bouwplan voldoet aan het bestemmingsplan. Dit heeft, gelet op het bepaalde in artikel 44 van de Woningwet, tot gevolg dat er ook geen ruimte bestaat voor een belangenafweging.

2.5.    [wederpartijen] betogen dat het bouwplan in strijd is met de redelijke eisen van welstand.

2.5.1.    Dit betoog slaagt niet. Op 1 maart 2006 heeft de welstandscommissie met betrekking tot het bouwplan een positief advies uitgebracht. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 13 mei 1996 in zaak no. H01.95.0359 (BR 1996, p. 654), mogen burgemeester en wethouders, hoewel zij niet aan een welstandsadvies zijn gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hen berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in de regel geen nadere toelichting, tenzij de aanvrager of een derde-belanghebbende een tegenadvies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie. Dit is slechts anders indien het advies van de welstandscommissie naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat burgemeester en wethouders dit niet - of niet zonder meer - aan hun oordeel omtrent de welstand ten grondslag hebben mogen leggen. Hiervan is niet gebleken.

2.6.    Het beroep is ongegrond.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.8.    Een redelijke toepassing van artikel 43, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat het griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan appellant sub 2 wordt terugbetaald.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart de hoger beroepen gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht van 12 juni 2006 in zaak nos. 06/694 en 06/792;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

IV.    gelast dat de secretaris van de Raad van State aan appellant sub 2 het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 211,00 (zegge: tweehonderdelf euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink                  w.g. Boermans

Lid van de enkelvoudige kamer       ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2007

429-543.