Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA3777

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-04-2007
Datum publicatie
25-04-2007
Zaaknummer
200605083/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 maart 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zeist (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten c.q. aanleggen van een bouwwerk (zwembad/vijver) op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200605083/1.

Datum uitspraak: 25 april 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. SBR 05/2775 van de rechtbank Utrecht van 31 mei 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Zeist.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 17 maart 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zeist (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten c.q. aanleggen van een bouwwerk (zwembad/vijver) op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 16 augustus 2005 heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit in zoverre herroepen dat de bouwvergunning in stand blijft zonder dat hiervoor een vrijstelling van het bestemmingsplan is verleend.

Bij uitspraak van 31 mei 2006, verzonden op 2 juni 2006, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 11 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 3 augustus 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 26 september 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 maart 2007, waar appellant, in persoon, bijgestaan door mr. C.B.E. van Bladel, advocaat te Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door E. Bouma, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is vergunninghouder daar gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college vrij is een adviescommissie te benoemen die niet voldoet aan de vereisten van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Appellant voert daarbij aan dat in strijd met voornoemde bepaling de voorzitter van de AWB Hoor- en adviescommissie (hierna: de bezwaarcommissie) onder de verantwoordelijkheid valt van het college en voorts dat deze commissie niet bestond uit de ingevolge deze bepaling vereiste drie leden.

2.1.1.    Dit betoog faalt. Zoals de Afdeling reeds heeft geoordeeld in de uitspraak van 12 februari 1999, in zaak no. H01.97.1336, verplicht artikel 7:13 van de Awb het bestuursorgaan er niet toe een adviescommissie als in die bepaling bedoeld in het leven te roepen. Op grond daarvan heeft het bestuursorgaan de vrijheid een adviescommissie te benoemen, die wat haar samenstelling betreft niet voldoet aan de in artikel 7:13 van de Awb gestelde eisen.

    Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het college het instellen van een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb heeft gepretendeerd, zoals appellant betoogt. Anders dan appellant betoogt, ziet de Afdeling evenmin grond voor het oordeel dat de bezwaarcommissie haar taak niet zonder vooringenomenheid heeft vervuld of dat anderszins in strijd is gehandeld met het gebod van onpartijdigheid dat is neergelegd in artikel 2:4 van de Awb, nu de voorzitter noch de leden van de adviescommissie betrokken waren bij de voorbereiding van het primaire besluit. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen.

2.2.    Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning (hierna: het Biab), voor zover thans van belang, verstrekt de aanvrager bij een aanvraag om een reguliere bouwvergunning, de gegevens en bescheiden, bedoeld in de paragrafen 1.1 en 1.2 van hoofdstuk 1 van de bijlage.

   Ingevolge paragraaf 1.2.1., aanhef en onder e, van de bijlage behorende bij het Biab, voor zover thans van belang, zijn voor toetsing van een aanvraag om een reguliere bouwvergunning gegevens en bescheiden vereist waaruit de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak, alsmede situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen blijken.

2.3.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college en de welstandscommissie bij de toetsing van de bouwaanvraag zijn uitgegaan van de juiste gegevens en bescheiden. Daartoe voert hij aan dat is uitgegaan van een oude en onjuiste kadastrale tekening en dat geen bezichtiging ter plekke heeft plaatsgevonden.

2.3.1.    Dit betoog faalt. Op de door het college beoordeelde kadastrale tekening en de bouwtekening staan de afmetingen van het perceel en van het bouwwerk vermeld. Voorts blijkt uit bouwtekening duidelijk waar het zwembad is gesitueerd ten opzichte van de grens met het perceel van appellant.

Het college heeft, anders dan appellant betoogt, de door appellant overgelegde kadastrale kaart bij de besluitvorming betrokken. Ook de welstandscommissie en de Monumentencommissie zijn blijkens hun stempels uitgegaan van de door het college gebruikte tekeningen. De omstandigheid dat de welstandscommissie het plan heeft omschreven als het gedeeltelijk veranderen en vernieuwen van een zwemvijver in plaats van de aanleg van een zwembad/vijver doet aan de juistheid van de welstandstoets niet af.

De rechtbank heeft derhalve terecht en op goede gronden geoordeeld dat bij de toetsing van de bouwaanvraag aan de eisen van zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb is voldaan. Anders dan appellant betoogt was het dan ook niet noodzakelijk dat de situatie ter plekke in ogenschouw zou worden genomen.

2.4.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Daartoe voert hij aan dat voor het bouwplan een binnenplanse vrijstelling is vereist en in het bestemmingsplan stringente eisen worden gesteld aan de situering van zwembaden.

2.4.1.    Op het perceel rust ingevolge het geldende bestemmingsplan "Bosch en Duin e.o." (hierna: het bestemmingsplan) de bestemming "Woondoeleinden categorie I (WI)".

   Ingevolge artikel 5, tweede lid, onder a, b en c, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn op deze gronden vrijstaande en halfvrijstaande woningen, bijgebouwen, aan- en uitbouwen en andere bouwwerken toelaatbaar.

   Ingevolge artikel 5, derde lid, onder a, met als aanhef "Karakteristiek", voor zover thans van belang, dienen de in lid 1 bedoelde gronden in nauwe samenhang met de als Bostuin bestemde gronden te worden gezien.

   Ingevolge artikel 5, derde lid, onder b, voor zover thans van belang, is het beleid voor de in lid 1 bedoelde gronden gericht op handhaving van de onder a. beschreven karakteristiek en overwegend consoliderend. Ook is het beleid in deze bestemming gericht op het voorkomen van onevenredige inbreuken op de aangrenzende bosgebieden en de daarmee samenhangende waarden, tezamen bestemd als bostuin.

   Ingevolge artikel 5, zevende lid, aanhef en onder b, zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen voor de aanleg bij woningen van tennisbanen en niet-overdekte zwembaden van beperkte omvang, indien de aanleg geen onevenredige inbreuk maakt op de beschreven karakteristiek. Aan de vrijstelling kunnen voorwaarden worden gesteld met betrekking tot omvang en situering van deze werken en de eventueel daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde. De plaats waar mag worden aangelegd is mede afhankelijk van ter plaatse aanwezige beplanting, reliëf, waterpartijen en de ecologische situatie.

   Ingevolge artikel 5, achtste lid, zijn burgemeester en wethouders bevoegd met inachtneming van het bepaalde in lid 3 (Beschrijving in hoofdlijnen) nadere eisen te stellen aan omvang en situering van de in lid 4 bedoelde bebouwing.

2.4.2.    Het hiervoor kort weergegeven betoog van appellant slaagt. Nu er in de planvoorschriften een specifieke vrijstellingsregeling is opgenomen voor zwembaden moet ervan worden uitgegaan dat de aanleg ervan niet zonder meer is toegestaan. Dat elders in de planvoorschriften bouwwerken zijn toegelaten doet daar niet aan af. Planvoorschriften dienen in hun onderlinge samenhang te worden uitgelegd. De aanleg van het zwembad is derhalve, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, in strijd met de bestemming.

2.5.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep alsnog gegrond verklaren. De bestreden beslissing op bezwaar komt eveneens voor vernietiging in aanmerking. Het college dient een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. In verband hiermee overweegt de Afdeling het navolgende. Bij de nieuw te nemen beslissing op bezwaar dient het college zich, gelet op de door appellant opgeworpen bezwaren, alsnog te beraden over de vraag of de in het primaire besluit verleende binnenplanse vrijstelling, al dan niet onder het stellen van voorwaarden gehandhaafd dient te blijven, en de vraag of in dat geval aan de omvang en situering van het zwembad nadere eisen moeten worden gesteld. De Afdeling acht de regeling daarvan in de planvoorschriften, anders dan de rechtbank, niet in strijd met de wet, nu de in artikel 5, derde lid, van de planvoorschriften beschreven en te handhaven karakteristiek voldoende concreet en objectief bepaalbaar is.

2.6.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. In dit verband overweegt de Afdeling dat de door appellant opgegeven kosten, voor zover gemaakt in de bestuurlijke voorfase - waartoe ook de kosten voor het in die fase uitgebrachte deskundigenrapport behoren, alsmede de over die periode gemaakte verletkosten - ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb slechts voor vergoeding in aanmerking komen voor zover het primaire besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Daarvan is thans niet gebleken. Het college dient over deze kosten bij de nieuw te nemen beslissing op bezwaar opnieuw te beslissen.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 31 mei 2006 in zaak no. SBR 05/2775;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zeist van 16 augustus 2005, kenmerk 20750;

V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Zeist tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.956,48 (zegge: negentienhonderdzesenvijftig euro en achtenveertig cent), waarvan een gedeelte groot € 1.288,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Zeist aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de gemeente Zeist aan appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 349,00 (zegge: driehonderdnegenenveertig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Boermans

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2007

429-543.