Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA3774

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-04-2007
Datum publicatie
25-04-2007
Zaaknummer
200607735/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 april 2006 heeft de gemeenteraad van Tytsjerksteradiel op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 11 april 2006 het bestemmingsplan "Jistrum  2005" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200607735/1.

Datum uitspraak: 25 april 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Fryslân,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 27 april 2006 heeft de gemeenteraad van Tytsjerksteradiel op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 11 april 2006 het bestemmingsplan "Jistrum  2005" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 5 september 2006, kenmerk 00654055, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 12 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op 24 oktober 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 7 februari 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij brief van dezelfde datum is een nader stuk ontvangen van het college van burgemeester en wethouders van Tytsjerksteradiel.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 april 2007, waar appellanten, in persoon, zijn verschenen. Voorts is daar als partij de gemeenteraad, vertegenwoordigd door T. Bergsma, ambtenaar in dienst van de gemeente, gehoord. Verweerder is met voorafgaande berichtgeving niet verschenen.

2.    Overwegingen

Toetsingskader

2.1.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het plan

2.2.    Het bestemmingsplan heeft betrekking op het gebied dat wordt gevormd door de kern van het dorp Jistrum, de in ontwikkeling zijnde dorpsuitbreiding de Geast II, de dorpsuitloper aan de Tillewei, ofwel It Heechlân, en een deel van de Ies met de daaraan grenzende woonbebouwing. Het plan strekt hoofdzakelijk tot conservering en actualisering van de bestaande situatie en voorziet voorts in de realisering van een kleinschalig bedrijventerrein en de bouw, op verschillende locaties, van nieuwe woningen.

Het standpunt van appellanten

2.3.    Appellanten, bewoners van het perceel aan de Tillewei 6c, stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemmingen "Woondoeleinden", "Wooncentrum", "Groenvoorzieningen", "Tuinen" en "Verkeers- en verblijfsdoeleinden", voor de locatie It Heechlân. Dit plandeel voorziet in woningbouw en in onder meer een ontsluitingsweg daarvoor op de Tillewei.

Volgens appellanten is voorzien in een groot aantal woonbestemmingen op een kleine oppervlakte. Dit zal volgens hen leiden tot aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse en voor hen mogelijk aanleiding vormen voor het indienen van een planschadeclaim. Bovendien is volgens hen geen deugdelijk onderzoek verricht naar de behoefte aan een wooncentrum ter plaatse.

Appellanten betogen voorts dat het plan ten onrechte voorziet in een ontsluiting via de Tillewei. Zij stellen dat de functie en noodzaak van een tweede permanente ontsluiting onvoldoende onderbouwd is, dat de keuze om een nieuw aan te leggen woonlocatie te ontsluiten op een weg met een maximum snelheid van 80 km vreemd is en dat daarmee bovendien een kans wordt gemist om de verkeersveiligheid ter plaatse positief te beïnvloeden, en dat door de ontsluiting het leefklimaat van de woningen aan de Tillewei 6c en 8, onder meer door sluipverkeer, zal verslechteren.

Het standpunt van verweerder

2.4.    Verweerder heeft het plandeel niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft hieraan goedkeuring verleend.

De vaststelling van de feiten

2.5.     Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.5.1.         In het plan is op de locatie It Heechlân voorzien in de realisering van in totaal 28 wooneenheden, bestaande uit 6 vrijstaande woningen, 6 twee-onder-een-kap woningen en 16 woningen in het wooncentrum.

2.5.2.         De woningen worden aan de zuidkant ontsloten via de Joost Wiersmaweg. Het plan voorziet tevens in een tweede ontsluiting aan de noordkant op de Tillewei, via een weg tussen de woning van appellanten en de woning aan de Tillewei nr. 8.

Het oordeel van de Afdeling

2.6.       Blijkens de stukken is de invulling van het plangebied gebaseerd op onderzoek naar de woningbehoefte in de gemeente. Met het wooncentrum wordt voorzien in de behoefte aan zogenaamde levensloopbestendige huurwoningen met de mogelijkheid tot koop. Appellanten hebben hun stelling dat onvoldoende onderzoek is verricht naar de behoefte aan het wooncentrum niet onderbouwd. Verweerder behoefde daarin dan ook geen aanleiding te zien dit onderzoek ontoereikend te achten.

2.6.1.        Ten aanzien van de woningdichtheid op de locatie It Heechlân heeft de gemeenteraad overwogen dat het doel is ter plaatse betaalbare woningen te realiseren. De omvang van de kavels voor de vrijstaande woningen varieert van 440 m2 tot 780 m2; de omvang van de kavels voor de twee-onder-een-kap woningen varieert van 245 m2 tot 340 m2. De woningdichtheid op deze locatie is door de bouw van het wooncentrum waar 16 woningen in gestapelde bouw zijn voorzien, enigszins hoger dan gebruikelijk in de gemeente. Gezien de omvang van de kavels voor de woningen, die aansluit bij hetgeen gebruikelijk is in de kern, en de situering van het wooncentrum aan de rand van de bebouwing, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de opzet van het woongebied aansluit bij de stedenbouwkundige opzet van het dorp Jistrum en dat de enigszins hogere bebouwingsdichtheid in het gebied geen afbreuk doet aan die opzet.

Hoewel niet valt uit te sluiten dat appellanten door de woningbouw enige verslechtering van hun woon- en leefklimaat zullen ervaren, is niet gebleken dat dit effect zodanig is, dat verweerder, gelet op de hiervoor genoemde belangen, daaraan een overwegend gewicht had moeten toekennen. Verweerder heeft hierbij in redelijkheid kunnen betrekken dat voorheen op het grootste deel van de gronden een transportbedrijf was gevestigd.

2.6.2.    Verweerder heeft zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de ontsluiting van de woningen op de Tillewei geen ernstige overlast voor appellanten zal veroorzaken. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat het aantal woningen dat door deze weg ontsloten wordt beperkt is en dat niet aannemelijk is dat de weg, gezien de ligging daarvan, sluipverkeer van enige betekenis zal aantrekken.

Verweerder heeft bovendien in redelijkheid kunnen oordelen dat de kans op het ontstaan van verkeersonveilige situaties door de aansluiting op de Tillewei van de ontsluitingsweg gering is. Hij heeft daarbij betekenis kunnen hechten aan het feit dat de Tillewei, gezien de aard en de vormgeving - een ondergeschikte weg met zeer weinig verkeer en een enigszins bol bestrate, relatief smalle klinkerweg - weinig aanleiding geeft tot hard rijden en dat de aansluiting middels een uitritconstructie zal plaatsvinden, waardoor een vanuit oogpunt van verkeersveiligheid heldere situatie zal worden gecreëerd.

De tweede permanente uitweg is door de gemeenteraad en verweerder   wenselijk geacht voor het geval zich ter plaatse calamiteiten of de noodzaak tot herstratings- en onderhoudswerkzaamheden voordoen. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat de mogelijke nadelen van de ontsluiting niet zodanig zijn, dat daaraan overwegende betekenis zou moeten worden toegekend tegenover het hiervoor genoemde belang van een tweede permanente uitweg.

2.7.       Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plandeel.

Het beroep is ongegrond.

2.8.       Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M. Oosting, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.T. Zijlstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Oosting                          w.g. Zijlstra

Lid van de enkelvoudige kamer         ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2007

240