Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA3770

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-04-2007
Datum publicatie
25-04-2007
Zaaknummer
200600972/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 oktober 2004 heeft verweerder geweigerd een vergunning op grond van artikel 12 van de Natuurbeschermingswet (hierna: de Nbw) te verlenen voor het uitbreiden van het rundveehouderijbedrijf van appellanten aan de [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200600972/1.

Datum uitspraak: 25 april 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], gevestigd te [plaatsen],

en

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 5 oktober 2004 heeft verweerder geweigerd een vergunning op grond van artikel 12 van de Natuurbeschermingswet (hierna: de Nbw) te verlenen voor het uitbreiden van het rundveehouderijbedrijf van appellanten aan de [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 22 december 2005, kenmerk DRR&R/2005/6423, verzonden op dezelfde dag, heeft verweerder het door appellanten hiertegen gemaakte bezwaar deels ongegrond verklaard en het besluit van 5 oktober 2004 gehandhaafd in die zin dat geweigerd wordt een vergunning op grond van artikel 12 van de Nbw te verlenen.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 1 februari 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 3 maart 2006 en bij brief van 21 juli 2006.

Bij brief van 12 juni 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 15 december 2006. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 maart 2007, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. G.J.M. de Jager, advocaat te Tilburg, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. ing. H.D. Strookman, ambtenaar van het ministerie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 oktober 2005 zijn verschillende artikelen uit de Natuurbeschermingswet 1998 en de Wet van 20 januari 2005 tot wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 in verband met Europeesrechtelijke verplichtingen in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Wettelijk kader

2.2.    Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Nbw is het verboden zonder vergunning van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (thans: de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) of in strijd met bij zodanige vergunning gestelde voorwaarden handelingen te verrichten, te doen verrichten of te gedogen, die schadelijk zijn voor het natuurschoon of voor de natuurwetenschappelijke betekenis van een beschermd natuurmonument of die een beschermd natuurmonument ontsieren.

   Ingevolge het tweede lid van dit artikel worden als schadelijk voor het natuurschoon of voor de natuurwetenschappelijke betekenis van een beschermd natuurmonument in ieder geval aangemerkt handelingen, die de in de beschikking tot aanwijzing genoemde wezenlijke kenmerken van een beschermd natuurmonument aantasten.

   Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de Nbw, voor zover thans van belang, kan de Minister bij beschikking een natuurmonument, dat eigendom is van de Staat, aanwijzen als staatsnatuurmonument.

   Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling is artikel 12 van de Nbw van overeenkomstige toepassing op staatsnatuurmonumenten.

Het bestreden besluit

2.3.    Verweerder heeft zich in het besluit van 22 december 2005, kenmerk DRR&R/2005/6423, op het standpunt gesteld dat, zolang er nog geen nieuw beleid is kenbaar gemaakt, wordt vastgehouden aan het beleid dat door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State niet als kennelijk onredelijk of anderszins onjuist is beoordeeld. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de technische rekenmethode die aan de Uitvoeringsregeling ammoniak en veehouderij (hierna: de Uitvoeringsregeling) en de Interimwet ammoniak en veehouderij (hierna: de Interimwet) was verbonden.

   Het natuurgebied "Het Eendennest" betreft blijkens de aanwijzing tot natuurmonument van 26 juni 1973 een kwetsbaar gebied dat voor verzuring gevoelig is. Dat appellanten de noodzaak van bescherming van het gebied niet onderschrijven en twijfelen aan de redenen van bescherming, doet, volgens verweerder, niet af aan het feit dat "Het Eendennest" een natuurmonument krachtens de Nbw is. Overigens is uit informatie van de gemeente Waalwijk gebleken dat in het gebied nog steeds voor verzuring gevoelige vegetatie aanwezig is.

   Verweerder stelt vast dat in de aangevraagde situatie de emissie 1741,7 kg bedraagt en dat de afstand van het dichtst bij het staatsnatuurmonument gelegen emissiepunt op het bedrijf, de bestaande stallen, tot dat natuurmonument 290 meter is. Gelet op die afstand geldt een omrekenfactor van 0,055. De depositie (de emissie x de omrekenfactor) voor de aangevraagde situatie bedraagt 95,7935 kg.

   Uit gegevens van het Landbouw Economisch Instituut (hierna: LEI) is verweerder gebleken dat de historische rechten van appellanten voor de emissie 418,7 kg en voor de depositie 23,0285 kg bedragen. Het verschil tussen de depositie waarvoor historische rechten bestaan en de depositie in de aangevraagde situatie is 72,765 kg. Aangezien appellanten geen emissierechten hebben gekocht die betrekking hebben op "Het Eendennest" met een omvang van minimaal bovengenoemd verschil, kan volgens verweerder geen vergunning krachtens de Nbw worden verleend.

   Verweerder acht geen grond aanwezig voor vergoeding van de gemaakte kosten in de bezwaarfase, nu geen sprake is van herroeping van het besluit van 5 oktober 2004, maar van een wijziging van de motivering daarvan.

Het standpunt van appellanten

2.4.    Appellanten stellen zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte de Interimwet en het daarbij behorende beleid heeft toegepast in plaats van de Wet ammoniak en veehouderij. Appellanten stellen voorts dat verweerder er ten onrechte van uit is gegaan dat sprake is van een voor verzuring gevoelig gebied. Daartoe betogen zij dat het gebied kleiner is dan 5 hectare en dat de veranderingen die zich daar hebben voorgedaan sinds de aanwijzing als staatsnatuurmonument tot gevolg hebben dat de grond in het gebied niet meer als "voor verzuring gevoelig" aan te merken is. Dit dient feitelijk te worden vastgesteld, aldus appellanten.

   Voorts stellen appellanten dat verweerder de depositie van het bedrijf onjuist heeft berekend. De depositie bedraagt, volgens hen, ongeveer 50 mol/ha/jaar, waarbij wordt uitgegaan van een afstand van 350 meter tussen het hart van het bedrijf en de rand van het staatsnatuurmonument. Voorts kan, volgens appellanten, voor de vaststelling van de historische rechten niet worden uitgegaan van de LEI-registratie, omdat sprake is van een bijzondere situatie gelet op de ouderdom van de gegevens. In plaats daarvan dient te worden uitgegaan van de dieraantallen waarvoor in 1998 een milieuvergunning is verleend. Daarbij merken appellanten op dat verweerder voor de categorie melk- en kalfkoeien de emissienorm 9,5 toepast bij de bepaling van de ammoniakdepositie, terwijl eerder in het besluit is opgenomen dat voor deze categorie de emissienorm 8,8 geldt.

   Appellanten stellen zich op het standpunt dat verweerder hen voor het nemen van de beslissing op bezwaar ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld om emissierechten aan te kopen. Zij vragen zich voorts af op welke informatie van de gemeente Waalwijk verweerder zich baseert in het besluit.

   Appellanten stellen zich ten slotte op het standpunt dat redenen aanwezig zijn voor een vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten, nu zij niet voor het nemen van het besluit van 5 oktober 2004 in de gelegenheid zijn gesteld om aan te tonen dat sprake is van historische rechten.

Vaststelling van de feiten

2.5.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.5.1.    Appellanten exploiteren een rundveehouderijbedrijf aan de [locatie] te [plaats]. Bij brief van 7 juli 2004 hebben zij een aanvraag ingediend voor een vergunning op grond van artikel 12 van de Nbw voor een uitbreiding van hun bedrijf tot de omvang waarvoor in 2003 een vergunning op grond van de Wet milieubeheer is verleend.

   Ten zuidwesten van de gronden van appellanten ligt het natuurgebied "Het Eendennest". Dit gebied is bij besluit van 26 juni 1973 (kenmerk NBOR 8443) aangewezen als staatsnatuurmonument.

2.5.2.    Bij brief van 13 januari 2005 hebben appellanten een aanvraag ingediend voor een vergunning op grond van artikel 12 van de Nbw voor het rundveehouderijbedrijf in de huidige omvang waarvoor in 1998 een vergunning in het kader van de Wet milieubeheer is verleend.

   Bij besluit van 12 juni 2006, kenmerk DRR&R/2006/2655, heeft verweerder aan appellanten een vergunning verleend voor het uitoefenen van activiteiten die een maximale depositie van 15 mol per hectare per jaar (hierna: mol/ha/jaar) op het staatsnatuurmonument "Het Eendennest" veroorzaken met betrekking tot het bedrijf van appellanten in de huidige omvang.

Het oordeel van de Afdeling

2.6.    Bij uitspraak van heden in zaak no. 200600967/1 heeft de Afdeling het beroep van appellanten tegen het besluit van 12 juni 2006, kenmerk DRR&R/2006/2655, zoals weergegeven in overweging 2.5.2., ongegrond verklaard. Gelet op deze uitspraak bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder op onjuiste gronden heeft geweigerd een vergunning op grond van artikel 12 van de Nbw te verlenen met betrekking tot een uitbreiding van het bedrijf van appellanten, nu die uitbreiding met zich brengt dat de grenswaarde van 15 mol/ha/jaar op het staatsnatuurmonument "Het Eendennest" verder wordt overschreden.

2.7.    Het bezwaar van appellanten dat redenen aanwezig zijn voor een vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten, slaagt niet. Daartoe overweegt de Afdeling dat ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, het recht op een vergoeding van de kosten die een belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het bezwaar alleen bestaat indien het besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

   In dit geval heeft het bezwaar geleid tot een verbetering van de motivering, maar niet tot herroeping van het besluit van 5 oktober 2004, nu de beslissing tot weigering van de vergunning is gehandhaafd. Derhalve heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat geen recht bestaat op vergoeding van de gemaakte kosten op grond van voornoemd artikel.

2.8.    Gelet op het voorgaande, ziet de Afdeling in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit in strijd met het recht is genomen. Het beroep is derhalve ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M. Oosting, Voorzitter, en mr. R.H. Lauwaars en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Oosting w.g. Broekman

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2007

12-458.