Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA3767

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-04-2007
Datum publicatie
25-04-2007
Zaaknummer
200605318/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 januari 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn (hierna: het college) geweigerd aan appellante bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van een werktuigenberging op het perceel, plaatselijk bekend Stoppelbergweg 37 te Beekbergen (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200605318/1.

Datum uitspraak: 25 april 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Aannemersbedrijf De Combi Deventer B.V.", gevestigd te Deventer,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak no. 05/1342 van de rechtbank Zutphen van 22 juni 2006 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn (hierna: het college) geweigerd aan appellante bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van een werktuigenberging op het perceel, plaatselijk bekend Stoppelbergweg 37 te Beekbergen (hierna: het perceel).

Bij besluit van 6 juli 2005 heeft het college het door appellante daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 juni 2006, verzonden op die dag, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) het door appellante daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 20 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op die dag, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brieven van 23 augustus en 24 augustus 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 25 september 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 maart 2007, waar het college, vertegenwoordigd door J.M. van Wegen, ambtenaar van de gemeente, is verschenen. Appellante is met kennisgeving niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 7:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) legt het bestuursorgaan het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste een week voor belanghebbenden ter inzage.

   Ingevolge artikel 7:4, vierde lid, kunnen belanghebbenden van deze stukken tegen vergoeding van ten hoogste de kosten afschriften verkrijgen.

2.2.    Appellante betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat gesteld noch gebleken is dat het college artikel 7:4, tweede lid en vierde lid, van de Awb niet heeft nageleefd. Daartoe voert zij aan dat er geen ter inzagelegging en geen tijdige toezending van de stukken heeft plaatsgevonden.

2.2.1.    Dit betoog treft geen doel. Daargelaten de verklaring van het college ter zitting dat de stukken altijd overeenkomstig de Awb ter inzage worden gelegd, hoeft het door appellante gestelde vormverzuim, gelet op artikel 6:22 van de Awb, niet te leiden tot vernietiging van de beslissing op bezwaar. Daarbij is in aanmerking genomen dat uit de inhoudelijke schriftelijke reactie die zij op 5 april 2005 bij het college heeft ingediend blijkt dat appellante kennis heeft kunnen nemen van de op de zaak betrekking hebbende stukken en aldus niet in haar belangen is geschaad. Anders dan appellante betoogt, stelt de Awb voorts geen termijn aan het toezenden van de stukken nadat daarom is verzocht.

2.3.    Appellante betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college niet verplicht is tot vergoeding van de kosten van de bezwaarprocedure. Zij voert hiertoe aan dat het college het besluit van 10 januari 2005 in de beslissing op bezwaar heeft aangepast, waardoor haar bezwaar gegrond had moeten worden verklaard.

2.3.1.    Dit betoog slaagt niet. Het college heeft in de beslissing op bezwaar het besluit van 10 januari 2005, onder aanpassing van de motivering, in stand gelaten. Nu er geen sprake is van een herroeping van dat besluit, is niet voldaan aan de in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb gestelde voorwaarde voor vergoeding van in bezwaar gemaakte kosten, nog daargelaten dat een zodanig verzoek daartoe in bezwaar ontbrak.

2.4.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Stuwwalrand Parkzone Zuid" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het gedeelte van het perceel waarop het bouwplan betrekking heeft de bestemming "Bos en natuurgebied". Het bouwplan is hiermee in strijd, omdat ingevolge de planvoorschriften op deze bestemming geen gebouwen zijn toegestaan.

   Ingevolge artikel 5.2, eerste lid, sub a, van de planvoorschriften mogen bouwwerken of delen van bouwwerken welke op het tijdstip van tervisielegging van het ontwerp van dit plan aanwezig of in uitvoering zijn, dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde bouwvergunning kunnen worden gebouwd, of welke nadien legaal zijn of kunnen worden gebouwd en welke afwijken van het plan, mits de bestaande afwijkingen naar de aard en omvang niet worden vergroot, gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd.

   Ingevolge artikel 5.2, tweede lid, van de planvoorschriften kunnen burgemeester en wethouders, indien de sub a bedoelde bouwwerken bijgebouwen als bedoeld in artikel 1.1 sub 10 betreffen, vrijstelling verlenen van het bepaalde in sub a ten behoeve van het geheel vernieuwen van een gedeelte van die bijgebouwen. De vrijstelling wordt, met het doel om te komen tot een sanering van de aanwezige bebouwing, alleen verleend wanneer gelijktijdig voor elke m² waarvoor vrijstelling wordt verleend 2 m² aan bestaande bijgebouwen wordt afgebroken.

   ingevolge artikel 1.1, onder 10, van de planvoorschriften wordt onder bijgebouw verstaan een al dan niet vrijstaand, niet voor bewoning bestemd gebouw, dat ten dienste staat van het hoofdgebouw dan wel dienst- of bedrijfswoning en functioneel en/of qua bouwmassa ondergeschikt is aan het hoofdgebouw dan wel dienst- of bedrijfswoning, waaronder in ieder geval begrepen een huishoudelijke bergruimte, garage of hobbyruimte.

2.5.    Appellante betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat aan artikel 5.2, tweede lid, van de planvoorschriften geen toepassing gegeven kan worden.

2.5.1.    Dit betoog treft geen doel. Uit de bouwaanvraag blijkt vooreerst dat er geen sprake is van vernieuwing van een bestaand bijgebouw, doch van nieuwbouw, zodat artikel 5.2, tweede lid, reeds om die reden toepassing mist. Anders dan appellante betoogt doet hier niet aan af dat er op het moment van de tervisielegging van het ontwerp van het bestemmingsplan elders nog enkele bijgebouwen op het perceel aanwezig waren. Deze bijgebouwen bestonden niet meer ten tijde van de bouwaanvraag en konden derhalve niet meer gelijktijdig met de bouw van de werktuigenberging worden afgebroken, zoals in artikel 5.2, tweede lid, van de planvoorschriften is vereist. Ook overigens is niet gebleken dat de bouwaanvraag mede voorzag in de gelijktijdige afbraak van bijgebouwen zoals voorzien in deze overgangsbepaling.

2.6.    Appellante betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen vrijstelling ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening voor het bouwplan te verlenen.

2.7.    Dit betoog slaagt niet. Blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting voert het college, in overeenstemming met het beleid van de provincie en het rijk, het beleid om verstening van het buitengebied tegen te gaan. Gelet op dit beleid en gelet op de ligging van het perceel in het Centraal Veluws Natuurgebied heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat handhaving van de bestemming "Bos en natuurgebied" aldaar zwaarder weegt dan het belang dat appellante heeft bij de realisering van de werktuigenberging. Hetgeen appellante heeft aangevoerd met betrekking tot in het verleden aanwezige bebouwing op het perceel biedt geen grond voor het oordeel dat het college van dit beleid diende af te wijken. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen.

2.8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink     w.g. Boermans

Lid van de enkelvoudige kamer   ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2007

429-543.