Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA3766

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-04-2007
Datum publicatie
25-04-2007
Zaaknummer
200606090/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 augustus 2006 heeft verweerder het door appellant gemaakte bezwaar tegen inhoudingen op haar uitkering, ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2007, 366

Uitspraak

200606090/1.

Datum uitspraak: 25 april 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te [woonplaats] (Duitsland),

en

het College zorgverzekeringen,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 1 augustus 2006 heeft verweerder het door appellant gemaakte bezwaar tegen inhoudingen op haar uitkering, ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 augustus 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 18 september 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 12 november 2006 heeft appellante een nadere reactie ingediend.

Bij brief van 8 december 2006 heeft verweerder een nader stuk ingediend. Dit is aan de andere partij gezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 december 2006, waar appellante, in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. B.J. Drijber en mr. M.F. van der Mersch, beiden advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 116, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet, zoals deze bepaling ten tijde van het bestreden besluit luidde, kan een belanghebbende, in afwijking van artikel 8:7, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) tegen ingevolge deze wet genomen besluiten, niet zijnde besluiten als bedoeld in artikel 8:2 van de Awb, van de Minister van Volkgezondheid, Welzijn en Sport, van het College zorgverzekeringen of van het College toezicht beroep instellen bij de Afdeling.

2.1.1.    Mede gelet op hetgeen appellante in beroep heeft aangevoerd, begrijpt de Afdeling haar bezwaar aldus dat het mede is gericht tegen de brief van verweerder van december 2005, waarin is vermeld dat appellante een Nederlands pensioen of Nederlandse uitkering ontvangt, waardoor zij recht heeft op medische zorg in haar woonland, op grond van "Europese regels". Voorts wordt in de brief verwezen naar de bijgevoegde informatiebrochure. Daarin is onder meer het volgende vermeld:

   "Voor alle EU-lidstaten geldt een Europese regeling (de Verordening (EEG) nr. 1408/71) die bepaalt welk land de kosten van medische zorg van gepensioneerden/uitkeringsgerechtigden draagt. Het land dat het - wettelijke - pensioen betaalt, is ook verantwoordelijk voor de kosten van medische zorg van de gepensioneerde/uitkeringsgerechtigde als die in een andere lidstaat woont. Het gevolg is dat Nederland vanaf de datum dat u naar Duitsland verhuist, aan Duitsland uw kosten van medische zorg moet betalen. Om dit te financieren bent u overeenkomstig de Zorgverzekeringswet (Zvw) in Nederland een bijdrage over uw pensioen(en)/uitkering verschuldigd."

2.1.2.    De "Europese regels" waarnaar in de brief van december 2005 wordt verwezen, zijn vervat in de bepalingen ten aanzien van rechthebbenden op pensioenen of renten welke zijn opgenomen in afdeling 5 van hoofdstuk 1 van de in de informatiebrochure genoemde Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971, Pb EG L 149, betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de versie geldende ten tijde van het bestreden besluit (hierna: de Verordening). In deze verordening is, voor zover thans van belang, onder meer bepaald welke lidstaat de kosten van medische zorg van gepensioneerden en uitkeringsgerechtigden draagt.

2.1.3.    Verweerder is op basis van de hem bekend zijnde gegevens gebleken dat appellante voldoet aan de voorwaarden die zijn vervat in de op de situatie van appellante betrekking hebbende bepalingen uit afdeling 5 van hoofdstuk 1 van de Verordening, zodat deze recht heeft op (zorg)prestaties op het grondgebied van de lidstaat waar zij woont. Nu uit artikel 249 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voortvloeit dat de bepalingen van een verordening, behoudens hier niet ter zake doende uitzonderingen, rechtstreekse werking hebben, en in het geval van de op appellante betrekking hebbende bepalingen uit afdeling 5 van hoofdstuk 1 van de Verordening van een dergelijke uitzondering op dat uitgangspunt geen sprake is, volgt het recht van appellante op (zorg)prestaties rechtstreeks uit deze bepalingen. Gelet hierop, zijn de op de situatie van appellante betrekking hebbende bepalingen uit afdeling 5 van hoofdstuk 1 van de Verordening niet eerst door toezending van de brief van december 2005 van toepassing. Deze brief bevat slechts een mededeling van verweerder aan appellante dat deze een recht heeft op (zorg)prestaties. De enkele mededeling in de informatiebrochure dat appellante overeenkomstig de Zorgverzekeringswet in Nederland een bijdrage over haar pensioen(en/uitkering verschuldigd is, kan evenmin als een op rechtsgevolg gerichte beslissing worden aangemerkt. Voor het bewerkstelligen van een rechtsgevolg voor appellante is nog nadere besluitvorming zoals een besluit tot inhouding van deze bijdrage noodzakelijk, dat een dergelijk rechtsgevolg wel bewerkstelligt. Een dergelijk besluit is niet in de brief van december 2005 vervat. Niet is in te zien wat de brief van december 2005 aan de rechtssituatie van appellante verandert. Deze brief bevat derhalve niet een op enig rechtsgevolg gericht besluit, zodat geen sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Tegen de brief van december 2005 kon ingevolge artikel 7:1, eerste lid, van de Awb dan ook geen bezwaar worden gemaakt, zodat verweerder het bezwaar van appellante ten onrechte ontvankelijk heeft geacht en ongegrond heeft verklaard.

   Voor zover verweerder ter zitting heeft verwezen naar jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep ter ondersteuning van zijn betoog dat de brief van december 2005 een besluit in de zin van de Awb is, overweegt de Afdeling dat dit niet tot een ander oordeel leidt, reeds omdat, anders dan in de bedoelde jurisprudentie, appellante niet concreet is medegedeeld dat vanaf een bepaalde datum inhouding zou plaatsvinden. Overigens kan appellante tegen een besluit tot inhouding van een bijdrage op haar uitkering in rechte opkomen. Op het bezwaar dat appellante tegen een dergelijk besluit bij verweerder heeft gemaakt is bij besluit van 1 augustus 2006 niet beslist. Na eventuele doorzending van het bezwaarschrift door verweerder dient het ter zake bevoegde orgaan een beslissing te nemen.Het beroep is gegrond en het besluit van 1 augustus 2006 dient te worden vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en het bezwaar tegen de brief van verweerder van december 2005 alsnog niet-ontvankelijk te verklaren. Deze uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde besluit.

2.3.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het College zorgverzekeringen van 1 augustus 2006, kenmerk AB/630705BOS;

III.    verklaart het bezwaar van appellante tegen de brief van het College zorgverzekeringen van december 2005, alsnog niet-ontvankelijk;

IV.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V.    veroordeelt het College zorgverzekeringen tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 183,60 (zegge: honderddrieentachtig euro en zestig cent); het dient door de Staat der Nederland (het College zorgverzekeringen) aan appellante onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de Staat der Nederland (het College zorgverzekeringen) aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D. Roemers, Voorzitter, en mr. C.J.M. Schuyt en dr. K.J.M. Mortelmans, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Roemers        w.g. Groenendijk

Voorzitter         ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2007

164-496.