Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA3750

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-04-2007
Datum publicatie
25-04-2007
Zaaknummer
200606784/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 december 2005, heeft het college van burgemeester en wethouders van Waalwijk het uitwerkingsplan "Bestemmingsplan Landgoed Driessen, uitwerkingsplan Het Koetshuis, fase 2" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200606784/1.

Datum uitspraak: 25 april 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 6 december 2005, heeft het college van burgemeester en wethouders van Waalwijk het uitwerkingsplan "Bestemmingsplan Landgoed Driessen, uitwerkingsplan Het Koetshuis, fase 2" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 21 februari 2006, kenmerk 1150807, beslist over de goedkeuring van het uitwerkingsplan.

De Afdeling heeft het besluit van 21 februari 2006 bij uitspraak van 25 juli 2006, no. 200602519/3, geheel vernietigd.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 8 augustus 2006, kenmerk 1150807, opnieuw beslist over de goedkeuring van het uitwerkingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant sub 1 bij brief van 20 september 2006, bij de Raad van State ingekomen op 20 september 2006, en appellanten sub 2 bij brief van 25 september 2006, bij de Raad van State ingekomen op 25 september 2006, beroep ingesteld. Appellant sub 1 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 26 september 2006.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van het college van burgemeester en wethouders. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten sub 2 en het college van burgemeester en wethouders. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 april 2007, waar appellant sub 1, in persoon en bijgestaan door mr. W. Kattouw, werkzaam bij ARAG rechtsbijstand, en appellanten sub 2, in persoon en bijgestaan door mr. S. Essakkili, werkzaam bij DAS rechtsbijstand, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. ing. J.H.M. van Cuyck, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn als partij gehoord het college van burgemeester en wethouders van Waalwijk, vertegenwoordigd door mr. H.M.J. Ummels, ambtenaar van de gemeente, en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Bouwfonds MAB Ontwikkeling B.V.", vertegenwoordigd door mr. J.C. Ellerman, advocaat te Amsterdam.

2.    Overwegingen

Toetsingskader

2.1.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een uitwerkingsplan. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voor zover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan moet worden uitgewerkt volgens bij het plan te geven regelen. Bij de beslissing over de goedkeuring van een uitwerkingsplan dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven uitwerkingsregelen is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust daarnaast op verweerder de taak om te bezien of het plan binnen de bij het bestemmingsplan gegeven regelen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Standpunt van appellanten

2.2.    Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte gedeeltelijke goedkeuring heeft verleend aan het uitwerkingsplan. Zij maken allereerst bezwaar tegen de situering van een autowasplaats ten noorden van hun percelen. Appellanten sub 2 voeren daartoe aan dat de autowasplaats niet valt binnen de doeleindenomschrijving van de in het bestemmingsplan "Landgoed Driessen" uit te werken bestemming, ten eerste omdat een autowasplaats is aan te merken als een servicestation voor motorvoertuigen. Ten tweede stellen zij dat een autowasplaats ook niet aangemerkt kan worden als een 'andere verkeersvoorziening' zoals vermeld in de doeleindenomschrijving, omdat een autowasplaats niet is bedoeld om de verplaatsing van verkeer te structureren. Appellant sub 1 meent dat de autowasplaats ten onrechte is voorzien in een wadi, waardoor vervuild water via de wadi in het grondwater terecht kan komen. Voorts voert appellant sub 1 aan dat het uitwerkingsplan niet voldoet aan de "Nota van uitgangspunten Het Koetshuis", nu het aantal voorziene parkeerplaatsen niet voldoet aan de daarin opgenomen parkeernorm. Ook wordt ten onrechte afgeweken van de uitgangspunten betreffende het overgangsgebied tussen het plandeel en de Oudestraat, door naast de woning van appellant een twee-onder-een-kapwoning mogelijk te maken in plaats van een vrijstaande woning. Datzelfde geldt voor de voorziene hoekwoning aan de Oudestraat, die afbreuk doet aan het beeld van de bestaande bebouwing, aldus appellant sub 1.

Standpunt van verweerder

2.3.    Verweerder heeft, voor zover hier van belang, goedkeuring verleend aan het plan en de bijbehorende voorschriften in overeenstemming bevonden met de uitwerkingsregels zoals die zijn opgenomen in artikel III.1 van het bestemmingsplan. Verweerder constateert dat een autowasplaats betrekking heeft op een eenvoudige voorziening bestemd voor de bewoners van het plangebied en bedoeld om infiltratie van schoon water veilig te stellen. Verweerder acht de situering van een autowasplaats niet onevenredig ten opzichte van de belangen van appellanten. Met betrekking tot de overige aangevoerde bezwaren stemt verweerder in met de reactie van de gemeente op de ingediende bezwaren. Het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) geeft aan dat de Nota van Uitgangspunten die ten grondslag ligt aan het uitwerkingsplan de beoogde globale stedenbouwkundige hoofdopzet voor het plandeel bevat. Een uitwerking met op een enkele plaats een twee-onder-een-kapwoning in plaats van een vrijstaande woning levert geen strijdigheid op met genoemde nota. Deze bebouwing, evenals de beoogde hoekwoning, doet ook geen afbreuk aan de beeldkwaliteit van de bestaande bebouwing in het overgangsgebied. In de Oudestraat staan geen uniforme, maar ook qua vorm en inhoud verschillende woningen. Het college stelt voorts vast dat het aantal parkeerplaatsen wel aan de in de nota genoemde parkeernorm voldoet.

Vaststelling van de feiten

2.4.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.4.1.    Het plan bevat de gedeeltelijke uitwerking van de bestemming "Uit te werken woondoeleinden met bijbehorende voorzieningen -UW(bv)-", vastgelegd in artikel III.1 van het bestemmingsplan "Landgoed Driessen".

Het plan, voor zover hier van belang, betreft de realisatie van een woongebied aan de zuid-oostzijde van Landgoed Driessen, in de zuidelijke helft van het deelgebied Het Koetshuis in de projectgebieden de Laan, de Buurt en de overgangszone Oudestraat. Het artikel bepaalt tevens dat voorafgaand aan het opstellen van een uitwerkingsplan een 'Nota van uitgangspunten ten behoeve van de uitwerking' zal worden opgesteld door het college.

2.4.2.    Het college heeft de 'Nota van Uitgangspunten Het Koetshuis' op 21 december 2004 vastgesteld (hierna te noemen: de Nota). De Nota legt, overeenkomstig de daartoe strekkende bepaling in het bestemmingsplan, de basis voor de nadere uitwerking met een beschrijving van te hanteren uitgangspunten voor deelgebied Het Koetshuis. In de toelichting bij het uitwerkingsplan staat vermeld dat in de Nota de kaders zijn aangegeven waaraan de stedenbouwkundige invulling en daarmee ook de juridisch-planologische uitwerking dienen te worden getoetst.

2.4.3.    In de doeleindenomschrijving in artikel III.1, lid A onder I.1, van het bestemmingsplan "Landgoed Driessen" staat onder meer vermeld:

sub g. verkeersdoeleinden, waaronder begrepen rijwegen, woonstraten en woonerven, voet- en fietspaden, parkeergelegenheden, bermen en andere verkeersvoorzieningen, met uitsluiting van servicestations voor motorvoertuigen en verkooppunten voor motorbrandstoffen;

2.4.4.    In de uitwerkingsregels van artikel III.1, lid A onder III.3 sub 2.g, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Landgoed Driessen" staat vermeld dat voorzien dient te worden in de noodzakelijke parkeervoorzieningen, waarbij een norm van ten minste 1,3 en ten hoogste 1,5 parkeerplaats per woning zal worden aangehouden. In paragraaf 2.8.2. van de toelichting bij het uitwerkingsplan staat aangegeven dat als parkeernorm wordt uitgegaan van 1,8 parkeerplaats per woning. Uitgangspunt daarbij is het realiseren van minimaal 1 parkeerplaats per woning op de woonpercelen zelf. Dit komt overeen met de parkeernorm zoals aangegeven in de Nota.

In paragraaf 3.2.1. van de toelichting bij het uitwerkingsplan staat onder het kopje 'De Laan' vermeld dat het parkeren grotendeels gebeurt op eigen erf in combinatie met langsparkeren aan de zuidzijde van de laan.

2.4.5.    Blijkens de kaart van het uitwerkingsplan "Het Koetshuis, fase 2" hebben de gronden achter de percelen van appellanten de bestemming "Verblijfsdoeleinden, auto's toegestaan -Vb(a)-". Ingevolge artikel 4, sub 1.1, van de planvoorschriften zijn deze gronden onder meer bestemd voor autowasplaatsen en wadi's. Blijkens de toelichting bij het uitwerkingsplan worden de verblijfsgebieden binnen het plangebied niet op de riolering aangesloten, zodat het hemelwater zoveel mogelijk infiltreert in de ondergrond. Daartoe is een systeem van verschillende soorten wadi's opgenomen, plekken waar het water gemakkelijk kan wegzakken naar de ondergrond. Dit systeem ligt grotendeels binnen de in het uitwerkingsplan voor de woonstraten opgenomen bestemming "Verblijfsgebied, auto's toegestaan -Vb(a)-". Daarnaast wordt in het plangebied een gescheiden rioolstelsel aangelegd, het zogenoemde vuilwaterriool. In de toelichting staat voorts vermeld dat, aangezien het hemelwater zoveel mogelijk moet infiltreren, het ongewenst is dat auto's op willekeurige plaatsen worden gewassen. Daarom wordt rekening gehouden met locaties voor het aanleggen van openbaar toegankelijke autowasplaatsen in de directe omgeving van het woongebied.

2.4.6.    Blijkens de toelichting bij het uitwerkingsplan betreft de overgangszone Oudestraat een zone aan de zuidzijde van het plandeel, waar vrije kavels zijn gepland om voldoende ruimte tot de bestaande woningen aan de Oudestraat vrij te houden. Artikel 2, sub 2.2, van de planvoorschriften bepaalt dat bij de "vrije kavels" sprake is van enige vrijheid ten aanzien van de uiterlijke verschijningsvorm, waarbij tevens wordt verwezen naar paragraaf 3.3 van de toelichting. In deze paragraaf wordt in hoofdlijnen met betrekking tot de beeldkwaliteit aangegeven dat in dit gebied het projectmatige karakter van de woningbouw dient over te vloeien naar dat van de bestaande bebouwing aan de Oudestraat. In dat verband wordt vermeld dat de maatvoering van de individueel ontworpen vrijstaande woningen op de ruime kavels aansluit op het profiel van de woningen aan de Oudestraat. Tevens wordt vermeld dat de verschijningsvorm van de woningen aansluit bij de meer traditionele woningbouw en het tijdsbeeld van de bestaande woningen. In de Nota staat in paragraaf 4.4 vermeld dat aan de noordzijde van de Oudestraat, het feitelijk raakvlak met Het Koetshuis, zich deels projectmatig ontwikkelde vrijstaande woningen bevinden en tweekappers in twee lagen met kap uit de jaren zeventig.

Het oordeel van de Afdeling

2.5.    Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting is een autowasplaats een vergrote parkeerplaats met watertappunt in een afgesloten kast, voorzien van een gesloten vloer op afschot, waarbij het vervuilde spoelwater wordt afgevoerd via het vuilwaterriool. Voor de parkeerplaatsen zonder deze voorziening en wegen geldt dat het regenwater via de open bestrating in de bodem infiltreert, wat betekent dat met een autowasplaats juist wordt voorkomen dat ook vervuild water in de bodem terecht komt. De Afdeling is van oordeel dat nu het gaat om een relatief eenvoudige voorziening die bovendien alleen toegankelijk is voor de bewoners van het plangebied en waarbij geen sprake is van enige bedrijfsmatige commerciële dienstverlening, een autowasplaats niet kan worden aangemerkt als een servicestation voor motorvoertuigen als bedoeld in de doelomschrijving van artikel III.1, lid A onder I.1 sub g, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Landgoed Driessen". De Afdeling stelt vast dat voornoemd artikel geen limitatieve opsomming bevat van hetgeen onder verkeersdoeleinden wordt begrepen. Gelet op de aard en de omvang van de hiervoor beschreven autowasplaats kan deze gerekend worden tot 'andere verkeersvoorzieningen' als bedoeld in artikel III.1, lid A onder I.1 sub g, van het bestemmingsplan. Daarbij is tevens in aanmerking genomen dat deze bepaling niet de eis bevat dat de voorziening de verplaatsing van het verkeer structureert. Het bezwaar van appellanten ten aanzien van de autowasplaats treft derhalve geen doel.

2.6.    Wat betreft het bezwaar van appellant sub 1 ten aanzien van de parkeernorm, overweegt de Afdeling dat in de toelichting bij het uitwerkingsplan wordt uitgegaan van een parkeernorm van 1,8 parkeerplaats per woning, dit terwijl het bestemmingsplan uitgaat van een maximale parkeernorm van 1,5 parkeerplaats per woning. Het gaat daarbij om een optelsom van de parkeermogelijkheden op eigen erf, geclusterd parkeren in zogenoemde parkeerkoffers en langsparkeren aan de zuidzijde van de Koetshuislaan. Gelet op overweging 2.4.4 is, anders dan appellant sub 1 heeft aangevoerd, wel voorzien in deze mogelijkheid van langsparkeren. In verband hiermee en gelet op de aanduidingen op de plankaart heeft appellant sub 1 niet aannemelijk gemaakt dat in het plangebied niet voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zijn en dat niet wordt voldaan aan de parkeernorm van 1,8 parkeerplaats per woning. Het bezwaar van appellant sub 1 ten aanzien van de parkeernorm treft derhalve geen doel.

2.7.    Wat betreft het bezwaar van appellant sub 1 ten aanzien van de naast zijn perceel voorziene woningen, overweegt de Afdeling dat in de toelichting bij het uitwerkingsplan in paragraaf 3.3 ten aanzien van de beeldkwaliteit van de beoogde bebouwing in de overgangszone Oudestraat, rekening wordt gehouden met het beeld van de bestaande bebouwing. Hoewel in paragraaf 3.3 van de toelichting bij het uitwerkingsplan wordt gesproken van 'individueel ontworpen vrijstaande woningen' sluit dit niet zonder meer de bouw van een twee-onder-een-kapwoning uit. Uitgangspunt voor de overgangszone is immers dat de bebouwing aansluit bij de reeds bestaande bouw aan de Oudestraat. Zoals hiervoor onder 2.4.6 is vermeld bevinden zich aan de Oudestraat verschillende soorten woningen voorzien van een schuine kap, waaronder naast vrijstaande woningen ook twee-onder-een-kapwoningen. Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de voorziene twee-onder-een-kapwoning, alsmede de voorziene hoekwoning aan de Oudestraat geen afbreuk doen aan het beeld van de bestaande bebouwing aan de Oudestraat.

2.8.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het uitwerkingsplan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

De beroepen zijn ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra                              w.g. Broekman

Lid van de enkelvoudige kamer              ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2007

12-548.