Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA3730

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-04-2007
Datum publicatie
25-04-2007
Zaaknummer
200605449/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 mei 2006 heeft verweerder de aan appellante op grond van de Subsidieregeling sanering loden drinkwaterleidingen verleende subsidie op nihil vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200605449/1

Datum uitspraak: 25 april 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Utas B.V.", gevestigd te Amstelveen,

appellante,

en

de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 8 mei 2006 heeft verweerder de aan appellante op grond van de Subsidieregeling sanering loden drinkwaterleidingen verleende subsidie op nihil vastgesteld.

Bij besluit van 20 juni 2006, verzonden op diezelfde dag, heeft verweerder het door appellante hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 25 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op 26 juli 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 25 september 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 april 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door haar [directeur], en verweerder, vertegenwoordigd door drs. J. Duthler en mr. D.N.Th. van der Weerd, beiden werkzaam bij SenterNovem, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 15.13, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer voor bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen activiteiten op het gebied van het milieubeheer subsidie verstrekken.

   Ingevolge het tweede lid van dit artikel kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling - voor zover thans van belang - in ieder geval regels worden gesteld omtrent:

a. criteria voor de verstrekking;

d. de aanvraag van een subsidie en de besluitvorming daarover;

e. de verplichtingen voor de subsidieontvanger.

2.2.    Op basis van onder meer artikel 15.13, eerste tot en met derde lid, van de Wet milieubeheer is vastgesteld de Subsidieregeling sanering loden drinkwaterleidingen van 24 juni 1999, Stcrt. 121 (hierna: de Subsidieregeling).

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder d, van de Subsidieregeling wordt in deze regeling onder sanering verstaan het volledig buiten gebruik stellen van de loden drinkwaterleidingen die behoren tot woningen onder gelijktijdige vervanging daarvan door drinkwaterleidingen van een ander materiaal.

   Ingevolge artikel 2, derde lid, van de Subsidieregeling wordt subsidie slechts verleend indien met de sanering nog geen aanvang is gemaakt voordat op de aanvraag tot subsidieverlening is beslist.

   Ingevolge artikel 4, vierde lid, van de Subsidieregeling wordt bij de subsidieverstrekking beslist in de volgorde van de ontvangst van de aanvragen, met dien verstande dat wanneer de subsidieaanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag is aangevuld voor die beslissing als datum van ontvangst van de aanvraag geldt.

2.3.    Ingevolge artikel 4:46, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) stelt het bestuursorgaan, indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast.

   Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder d, kan de subsidie lager worden vastgesteld indien de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten.

2.4.    Verweerder heeft in verband met het bepaalde in artikel 2, derde lid, van de Subsidieregeling in samenhang met artikel 4:46, tweede lid, van de Awb de subsidie vastgesteld op nihil. Hij pleegt in situaties waarin de sanering heeft plaatsgevonden vóór de subsidieverlening steeds van genoemde bevoegdheid tot nihilstelling gebruik te maken, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.

2.4.1.    Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting staat vast dat appellante de sanering heeft uitgevoerd voorafgaande aan de subsidieverlening. Derhalve was verweerder bevoegd de subsidie op nihil vast te stellen.

   Zoals verweerder heeft gesteld, is de Subsidieregeling destijds onder meer door middel van informatiefolders en een website onder de aandacht van het publiek gebracht en wordt in het aanvraagformulier tot subsidieverlening duidelijk aangegeven dat geen subsidie wordt verleend indien voor afgifte van de beschikking tot subsidieverlening met de saneringswerkzaamheden wordt begonnen.

   De stelling van appellante dat van haar in redelijkheid niet geëist kon worden dat zij de grootschalige verbouwingswerkzaamheden aan de panden Hoofddorpplein 33-1, 33-2 en 33-3 te Amsterdam zou hebben moeten onderbreken in afwachting van het besluit tot subsidieverlening voor de vervanging van loden drinkwaterleidingen en dat appellante de gesaneerde loden drinkwaterleidingen heeft bewaard in verband met een eventuele zichtcontrole maakt niet dat sprake is van bijzondere omstandigheden. Hierbij is mede in aanmerking genomen dat zoals verweerder in zijn verweer van 25 september 2006 heeft aangegeven appellante vanwege de te late indiening van bij de aanvraag behorende stukken eerst op 30 augustus 2005 een als compleet aan te merken aanvraag heeft ingediend. Ingevolge artikel 4, vierde lid, van de Subsidieregeling wordt de datum waarop de aanvraag compleet is, aangemerkt als datum van indiening van de aanvraag in het kader van de Subsidieregeling. Derhalve kon appellant er in redelijkheid niet van uitgaan dat voor de opgegeven saneringsdatum van 5 september 2005 een besluit tot verlening van de subsidie zou worden genomen.

   Gezien het vorenstaande is er geen grond voor het oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid om de subsidie op nihil vast te stellen, gebruik heeft kunnen maken, zoals bij besluit van 8 mei 2006, gehandhaafd bij het thans bestreden besluit van 20 juni 2006, is geschied.

2.5.    Het beroep is ongegrond.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Melse

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2007

191-209.