Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA3710

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-04-2007
Datum publicatie
25-04-2007
Zaaknummer
200606623/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 mei 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Veere (hierna: het college) afwijzend beslist op de aanvraag van appellant om een tijdelijke ontheffing te verlenen van het verbod vervat in artikel 2, eerste lid, van de Gebruiksverordening tweede woningen Veere (hierna: de verordening) voor de woning aan de [locatie] in [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200606623/1.

Datum uitspraak: 25 april 2007.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. Awb 05/1286 van de rechtbank Middelburg van 27 juli 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Veere.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 18 mei 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Veere (hierna: het college) afwijzend beslist op de aanvraag van appellant om een tijdelijke ontheffing te verlenen van het verbod vervat in artikel 2, eerste lid, van de Gebruiksverordening tweede woningen Veere (hierna: de verordening) voor de woning aan de [locatie] in [plaats].

Bij besluit van 24 oktober 2005 heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 juli 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Middelburg (hierna: de rechtbank) het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 6 september 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 12 december 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 maart 2007, waar appellant, in persoon, en het college, vertegenwoordigd door M.H.H. van Kempen en J.M. Reijnhoudt, beiden ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de verordening is het de rechthebbende op een tot permanente bewoning bestemd gebouw verboden dit gebouw te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken als tweede woning.

   Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de verordening kan het college van het verbod vervat in artikel 2 ontheffing verlenen en aan een zodanige ontheffing voorschriften verbinden.

   Volgens de toelichting op dit artikel vervat in de bijlagen I t/m IV kent de verordening vier ontheffingsgronden.

   Ingevolge artikel 6 van de verordening is het college bevoegd in gevallen, waarin de toepassing van deze verordening naar zijn oordeel tot een bijzondere hardheid leidt, ten gunste van de aanvrager af te wijken van deze verordening.

2.2.    Appellant heeft in september 2001 de woning aan de [locatie] te [plaats] gekocht. De woning ligt binnen het door de raad aangewezen gebied waarop de verordening van toepassing is. Vanaf april 2002 heeft hij deze woning verhuurd aan zijn dochter, die tot maart 2005 de woning permanent heeft bewoond. Bij brief van 20 april 2005 heeft appellant het college verzocht om een tijdelijke ontheffing te verlenen van het verbod vervat in artikel 2, eerste lid, van de verordening voor deze woning tot het moment dat hij zijn bedrijf heeft verkocht en hij zich permanent in Domburg zal vestigen. Het college heeft bij voornoemd, in bezwaar gehandhaafd, besluit van 18 mei 2005, afwijzend op deze aanvraag beslist. Het college heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat appellant niet valt onder de overgangsbepalingen van de verordening, dat hij evenmin voldoet aan de ontheffingscriteria en dat er geen sprake is van een situatie van bijzondere hardheid. De rechtbank heeft het standpunt van het college onderschreven.

2.3.    Appellant stelt zich in hoger beroep onveranderd op het standpunt dat de verordening onverbindend is, omdat uit de verordening zelf niet blijkt in welke gevallen het college overgaat tot het verlenen van een ontheffing. Tevens betoogt appellant in dit verband dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op het door appellant genoemde advies van de Raad van State van 20 februari 2006, no. W03.05.0590/I (Kamerstukken II 2005/06, 30 515, nr. 4).

   Het betoog van appellant dat de verordening slechts verbindend is wanneer hieruit blijkt in welke gevallen het college overgaat tot het verlenen van een ontheffing vindt geen steun in het recht. Het is voldoende dat in artikel 4, eerste lid, van de verordening in algemene bewoordingen de bevoegdheid van het college om ontheffing te verlenen is neergelegd. Dat in de verordening niet de gevallen staan opgesomd waarin het college ontheffing verleent, leidt dan ook niet tot het oordeel dat de verordening onvoldoende duidelijk en om die reden onverbindend is.

   Voorts is niet in te zien op welke wijze de verwijzing van appellant naar voornoemd advies van de Raad van State, waarin een advies is gegeven over de sluiting van woningen in het kader van het handhaven van de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, kan leiden tot het oordeel dat de verordening niet verbindend moet worden geacht.

2.4.    Appellant klaagt dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op zijn betoog dat geen sprake is van een stringente toepassing van de verordening door het college, omdat de raad heeft besloten drie locaties buiten de werking van de verordening te laten vallen.

   Hoewel de klacht terecht is voorgedragen, kan zij niet leiden tot gegrondverklaring van het hoger beroep. Bij uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2005, met uitspraak no. 200404846/1 is overwogen dat met de projecten die op de door appellant bedoelde locaties worden gerealiseerd geen woningen worden onttrokken aan de woningvoorraad doch dat hierdoor juist woningen aan die voorraad worden toegevoegd. Derhalve kan niet staande gehouden worden dat hiermee afbreuk wordt gedaan aan het door de verordening beoogde doel.

2.5.    Voorts heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank heeft miskend dat, gelet op de door hem aangevoerde omstandigheid dat hij de woning op relatief korte termijn permanent zal gaan bewonen, het college niet in redelijkheid heeft mogen afzien van het toepassen van de hardheidsclausule.

   Ook dit betoog van appellant kan niet leiden tot gegrondverklaring van het hoger beroep. Ingevolge artikel 6 van de verordening moet het gaan om een situatie waarin onverkorte toepassing van de verordening naar het oordeel van het college tot een bijzondere hardheid leidt. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat ruimhartige toepassing van de hardheidsclausule het bereiken van de doelstelling van de verordening illusoir zou maken. In de gestelde omstandigheid dat appellant binnen relatief korte tijd zelf de woning permanent zal gaan bewonen, heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid de toepassing van de hardheidsclausule achterwege heeft kunnen laten.

2.6.    Ten slotte heeft de rechtbank, anders dan appellant in hoger beroep betoogt, terecht en op goede gronden overwogen dat de verordening niet in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. G.J. van Muijen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Klein

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2007.

176-538.