Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA3702

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-04-2007
Datum publicatie
25-04-2007
Zaaknummer
200702342/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 maart 2007 heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Voorts heeft verweerder bij dit besluit aan verzoekster een preventieve last onder dwangsom opgelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 1.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2007/79 met annotatie van Welschen
JAF 2007/40 met annotatie van Van der Meijden
Omgevingsvergunning in de praktijk 2007/2794

Uitspraak

200702342/1.

Datum uitspraak: 18 april 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Veghel,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 6 maart 2007 heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Voorts heeft verweerder bij dit besluit aan verzoekster een preventieve last onder dwangsom opgelegd.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.

Bij brief van 2 april 2007, bij de Raad van State ingekomen op 3 april 2007, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 12 april 2007, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. drs. D.A.C. Janssen, advocaat te Boxtel, en verweerder, vertegenwoordigd door L.A. Muller, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Bij het bestreden besluit heeft verweerder verzoekster opgedragen om voor het aflopen van de begunstigingstermijn 200 tot 300 m3 maaisel, gelegen op het perceel kadastraal bekend gemeente Veghel, sectie […], nummer […], te verwijderen en af te voeren naar een composteerinrichting dan wel op of binnen 1 kilometer van het natuurgebied waar het maaisel is vrijgekomen op te slaan overeenkomstig de Vrijstellingsregeling plantenresten en tarragrond (hierna: de Vrijstellingsregeling). Volgens verweerder heeft verzoekster door de opslag van het maaisel op voornoemd perceel gehandeld in strijd met artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Voorts heeft verweerder bij het bestreden besluit aan verzoekster een preventieve last onder dwangsom opgelegd voor zover het maaisel in strijd met artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer op een ander perceel zal worden opgeslagen.

2.1.1.    Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder afvalstoffen verstaan: alle stoffen, preparaten of andere producten die behoren tot de categorieën die zijn genoemd in bijlage I bij Richtlijn 75/442/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen (thans Richtlijn 2006/12/EG) (hierna: de Kaderrichtlijn), waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.

   Of sprake is van een afvalstof moet worden beoordeeld met inachtneming van alle omstandigheden, waarbij rekening moet worden gehouden met de doelstelling van de Kaderrichtlijn, terwijl ervoor moet worden gewaakt dat geen afbreuk wordt gedaan aan de doeltreffendheid daarvan (arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 15 juni 2000, Arco Chemie Nederland e.a., C-418/97 en C-419/97, AB 2000, 311).

2.1.2.    Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoekster werkzaamheden verricht bij het maaien van een aantal natuurgebieden in Noord-Brabant. Het bij de maaiwerkzaamheden vrijgekomen maaisel wordt door verzoekster tijdelijk op een perceel buiten haar inrichting opgeslagen om vervolgens, zonder enige vorm van bewerking, als veevoer te worden verkocht.

   Volgens verweerder dient het thans in het geding zijnde maaisel als afvalstof te worden aangemerkt, waarvoor het stortverbod van artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer geldt.

2.1.3.    Het geschil spitst zich toe op de vraag of ten aanzien van het maaisel sprake is van een afvalstof. De Voorzitter is van oordeel dat de onderhavige procedure zich niet goed leent voor de beantwoording van deze vraag. In het kader van de beslissing op bezwaar dient dit nader te worden onderzocht. De Voorzitter acht het echter niet onaannemelijk dat het maaisel niet het karakter heeft van een afvalstof. De Voorzitter wijst er in dit verband op dat het maaisel binnen een kort tijdsbestek na het maaien, mede ter voorkoming van rotting, wordt hergebruikt, zonder dat een noodzaak bestaat het eerst te bewerken. Bovendien is er voor de houder van de stoffen - in het onderhavige geval verzoekster - een economisch voordeel te behalen door het maaisel aan veehouders te verkopen. Verweerder heeft vorenstaande aspecten niet betrokken in het bestreden besluit. Voor zover verweerder in dit besluit en ter zitting heeft gesteld dat sprake is van een afvalstof omdat het onderhavige maaisel onder het toepassingsbereik van de Vrijstellingsregeling valt, overweegt de Voorzitter dat de omstandigheid dat in deze regeling plantenresten, waaronder bermmaaisel, worden aangemerkt als afvalstof in de zin van artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, niet betekent dat maaisel onder alle omstandigheden als afvalstof moet worden aangemerkt. In het onderhavige geval staat dit naar het oordeel van de Voorzitter nog geenszins vast. Ook staat onvoldoende vast, zoals verweerder stelt, dat het maaisel niet geschikt zou zijn om te dienen als veevoer als gevolg van de aanwezigheid van giftige stoffen.

   Het vorenstaande in aanmerking genomen ziet de Voorzitter, na afweging van de betrokken belangen, aanleiding om het bestreden besluit te schorsen. De Voorzitter merkt in dit verband nog op dat, mede gelet op de aard van het bedrijf van verzoekster, de hoogte van de te verbeuren dwangsom van € 10.000,- per dag met een maximum van € 1.000.000,-, naar zijn oordeel niet in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van de vermeende geschonden belangen en de beoogde werking van de last onder dwangsom.

2.2.    De Voorzitter ziet aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen. De overige gronden van het verzoek behoeven geen bespreking.

2.3.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Veghel van 6 maart 2007, kenmerk 4.3/2007/4392;

II.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Veghel tot vergoeding van bij verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Veghel aan verzoekster onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

III.    gelast dat de gemeente Veghel aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A. Douwes, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink                               w.g. Douwes

Voorzitter                               ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 april 2007

443