Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA3700

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-04-2007
Datum publicatie
25-04-2007
Zaaknummer
200607027/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 augustus 2006 heeft verweerder aan [vergunninghouders] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een vleesvarkenshouderij op het perceel [locatie] te Oisterwijk. Dit besluit is op 24 augustus 2006 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2007, 54K
Milieurecht Totaal 2007/627

Uitspraak

200607027/1.

Datum uitspraak: 25 april 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te Moergestel, gemeente Oisterwijk,

2.    [appellanten sub 2], beiden gevestigd respectievelijk wonend te Moergestel, gemeente Oisterwijk,

3.    de stichting "Stichting Behoud leefbaarheid Molenakkers en omgeving" en anderen, allen gevestigd respectievelijk wonend te Moergestel, gemeente Oisterwijk,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Oisterwijk,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 15 augustus 2006 heeft verweerder aan [vergunninghouders] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een vleesvarkenshouderij op het perceel [locatie] te Oisterwijk. Dit besluit is op 24 augustus 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 20 september 2006, bij de Raad van State ingekomen op 22 september 2006, appellanten sub 2 bij brief van 28 september 2006, bij de Raad van State ingekomen op 2 oktober 2006, en appellanten sub 3 bij brief van 2 oktober 2006, bij de Raad van State op dezelfde dag per fax ingekomen, beroep ingesteld.  Appellanten sub 3 hebben hun gronden bij brief van 19 oktober 2006 aangevuld.

Bij brief van 3 november 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant sub 1. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 maart 2007, waar appellanten sub 2, vertegenwoordigd door mr. M.J. Smaling, appellanten sub 3, vertegenwoordigd door mr. J.E. Dijk, advocaat te Dordrecht, en verweerder, vertegenwoordigd door drs. M.F.H.T. Hordijk en ing. P.P.M. Veraart, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn [een van de vergunninghouders], in persoon en bijgestaan door mr. M.J.C. Mol is verschenen, als partij gehoord. Appellant sub 1 is ter zitting niet verschenen.

Buiten bezwaren van partijen hebben appellanten sub 2 ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

2.    Overwegingen

2.1.    Ter zitting hebben appellanten sub 3 de beroepsgrond inzake de bevoegdheid van verweerder ingetrokken.

2.2.    Bij het bestreden besluit is vergunning verleend voor het houden van 1.536 vleesvarkens in een Groen-Labelstalsysteem no. BB 93.06.010V1 en 7.350 vleesvarkens in een chemisch luchtwassysteem 95% emissiereductie. Voor de inrichting is eerder bij besluit van 30 juni 2003 krachtens de Wet milieubeheer een revisievergunning verleend voor het houden van 1.732 vleesvarkens in een Groen-Labelstalsysteem no. BB 93.06.010V1 en 2.186 vleesvarkens in een Groen-Labelstalsysteem no. BB 99.02.070 (hierna: de onderliggende vergunning).

2.3.    Appellanten sub 2 en 3 voeren aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat met de bij het bestreden besluit verleende vergunning de door de inrichting te veroorzaken ammoniakemissie afneemt ten opzichte van de eerder vergunde situatie. Volgens hen is sprake van een belangrijke toename van de verontreiniging in de zin van de Wet ammoniak en veehouderij (hierna: de Wav). Hiertoe voeren zij aan dat de bij de onderliggende vergunning vergunde stal voor het houden van 2.186 vleesvarkens nooit is opgericht, zodat moet worden uitgegaan van een lagere reeds vergunde ammoniakemissie. Voor de vraag of sprake is van een belangrijke toename van de verontreiniging in de zin van de Wav moet volgens appellanten sub 3 immers worden uitgegaan van de feitelijke situatie. Tevens voeren appellanten sub 2 en 3 aan dat de onderliggende vergunning op grond van artikel 8.18, eerste lid, van de Wet milieubeheer voor wat betreft 2.186 vleesvarkens van rechtswege is vervallen, nu binnen drie jaar na het onherroepelijk worden van de onderliggende vergunning een van de vergunde stallen niet is voltooid en in werking gebracht. Daarnaast betogen appellanten sub 3 dat voor de uitleg van het begrip "belangrijke toename van de verontreiniging" dient te worden aangesloten bij artikel 12 van de Richtlijn 96/61/EG van de Raad van de Europese Unie van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (hierna: de IPPC-Richtlijn). Verder voeren appellanten sub 2 en 3 aan dat met de bij het bestreden besluit verleende vergunning weliswaar de beste beschikbare technieken binnen de inrichting worden toegepast, maar dat verweerder bij de beoordeling van de vergunningaanvraag in strijd met de IPPC-richtlijn de geografische ligging en de plaatselijke milieuomstandigheden niet heeft beoordeeld. Verweerder is volgens hen ten onrechte voorbijgegaan aan de effecten die de ammoniakemissie heeft op een aantal nabij de inrichting gelegen natuurgebieden.

2.3.1.    Ingevolge artikel 8.18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer vervalt de vergunning voor een inrichting, indien de inrichting niet binnen drie jaar nadat de vergunning onherroepelijk is geworden, is voltooid en in werking gebracht.

   Ingevolge artikel 6, tweede lid, van de Wav wordt, indien geen van de tot de veehouderij behorende dierenverblijven geheel of gedeeltelijk is gelegen in een kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied, een vergunning voor het veranderen van een veehouderij geweigerd, indien de veehouderij onder de reikwijdte van de IPPC-Richtlijn valt, en de toename van de ammoniakemissie uit de dierenverblijven als gevolg van de uitbreiding een belangrijke toename van de verontreiniging veroorzaakt.

2.3.2.    Bij beantwoording van de vraag of de inrichting binnen de in artikel 8.18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer bedoelde termijn is voltooid en in werking is gebracht, is de feitelijke situatie bepalend.

   De onderliggende vergunning is op 21 augustus 2003 onherroepelijk geworden. De in artikel 8.18, eerste lid, van de Wet milieubeheer bedoelde termijn liep derhalve tot 21 augustus 2006. Vaststaat dat de door appellanten sub 2 en 3 genoemde stal op deze datum nog niet was voltooid en in werking was gebracht. Verweerder heeft echter vóór het aflopen van de in artikel 8.18, eerste lid, van de Wet milieubeheer bedoelde termijn, op 15 augustus 2006 de onderhavige revisievergunning verleend. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 12 februari 2003 in zaak no. 200202415/1 (AB 2003, 130) mag het bevoegd gezag in dit geval, omdat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit de onderliggende vergunning nog van kracht was, de rechten die voortvloeien uit die vergunning in zijn beoordeling betrekken.

2.3.3.    Mede gelet op haar uitspraak van 10 november 2004, no. 200304823/1 (AB 2005, 40), overweegt de Afdeling dat de bepalingen van de Wav de ruimte bieden om te beslissen op een aanvraag om vergunning met toepassing van die wet, waarbij geldt dat de vergunning de emissiegrenswaarden en/of gelijkwaardige parameters of gelijkwaardige technische maatregelen bevat, die zijn gebaseerd op de beste beschikbare technieken en waarbij de technische kenmerken en de geografische ligging van de betrokken installatie en de plaatselijke milieuomstandigheden in acht zijn genomen.

2.3.4.    Vaststaat dat de inrichting niet in een kwetsbaar gebied als bedoeld in de Wav dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied ligt. Voorts staat vast dat de inrichting onder de werkingssfeer van de IPPC-Richtlijn valt. De op grond van de onderliggende vergunning veroorzaakte ammoniakemissie bedraagt 5.048 kilogram per jaar. De bij het bestreden besluit vergunde ammoniakemissie bedraagt 3.437,4 kilogram per jaar. Gelet hierop heeft de bij het bestreden besluit verleende vergunning een afname van de door de inrichting te veroorzaken ammoniakemissie tot gevolg ten opzichte van de onderliggende vergunning. Niet in geschil is dat de aangevraagde en vergunde stalsystemen voldoen aan de beste beschikbare technieken. De Afdeling overweegt dat appellanten sub 2 en 3 niet aannemelijk hebben gemaakt dat de geografische ligging van de inrichting, alsmede de plaatselijke milieuomstandigheden, aanleiding zouden geven om aan de vergunning, wat betreft de ammoniakemissie, strengere emissiegrenswaarden, parameters of gelijkwaardige technische maatregelen te verbinden dan die welke de vergunde stalsystemen met zich brengen. Voor weigering van de vergunning op grond van artikel 6, tweede lid, van de Wav bestond derhalve geen grond.

2.4.    Appellanten sub 3 voeren aan dat verweerder de woning [locatie] ten onrechte als een categorie IV-object in de zin van de Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden (hierna: de Wet stankemissie) heeft aangemerkt. Volgens hen betreft het hier een categorie III-object in de zin van de Wet stankemissie. Hiertoe voeren zij aan dat de omgeving waarin de woning [locatie] ligt een overwegende woon- en recreatiefunctie heeft. Daarnaast betogen zij dat artikel 6 van de Wet stankemissie niet van toepassing is op de betreffende woning. Aangezien niet wordt voldaan aan de op grond van de Wet stankemissie vereiste afstand ten aanzien van een categorie III-object, heeft verweerder de vergunning ten onrechte verleend, aldus appellanten sub 3.

2.4.1.    Ingevolge artikel 1, tweede lid, aanhef en onder c en d, van de Wet stankemissie wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder voor stank gevoelig object:

c. voor stank gevoelig object categorie III:

verspreid liggende niet-agrarische bebouwing die aan het betreffende buitengebied een overwegende woon- of recreatiefunctie verleent.

d. voor stank gevoelig object categorie IV:

1˚. woning, behorend bij een agrarisch bedrijf, niet zijnde een veehouderij waar 50 of meer mestvarkeneenheden op grond van een vergunning aanwezig mogen zijn;

2˚. verspreid liggende niet-agrarische bebouwing.

2.4.2.    Vaststaat dat de Wet stankemissie en de Regeling stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden van toepassing zijn op de onderhavige inrichting.

    Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is de Afdeling van oordeel dat de niet-agrarische bebouwing in de nabijheid van de inrichting niet zodanig is dat zij het betreffende gebied een overwegende woon- of recreatiefunctie geeft. Derhalve heeft verweerder de woning [locatie] terecht als een categorie IV-object aangemerkt.

   Op grond van de bijlage bij de Wet stankemissie is de vereiste afstand tot een voor stank gevoelig categorie IV-object bij het onderhavige veebestand 214 meter. Uit de stukken blijkt dat de afstand van het dichtstbijzijnde emissiepunt tot de woning [locatie] iets meer dan 214 meter bedraagt. Nu aan de vereiste afstand wordt voldaan heeft verweerder de vergunning in zoverre terecht verleend.

2.5.    Appellanten sub 2 betogen dat verweerder ten aanzien van de beoordeling van de directe ammoniakschade een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd. Volgens hen had verweerder niet het rapport "Stallucht en Planten 1981" (hierna: het rapport stallucht) tot uitgangspunt moeten nemen, maar een meer recent toetsingskader, te weten de lijsten uit Nota 57 "Invloed van ammoniak op boomkwekerijgewassen en fruitbomen" van Plant Research International B.V. (hierna: Nota 57). Verweerder heeft volgens appellanten sub 2 onvoldoende onderzocht of zich geen onaanvaardbare directe ammoniakschade voordoet.

2.5.1.    Verweerder heeft bij de beoordeling van de van de inrichting te duchten directe ammoniakschade het rapport stallucht tot uitgangspunt genomen. Hij betoogt dat voldaan wordt aan de in het rapport stallucht voorgeschreven afstanden.

2.5.2.    Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling is het hanteren van het rapport stallucht bij de beoordeling van aanvragen om een milieuvergunning niet in strijd met het recht. De Afdeling ziet thans geen aanleiding een ander standpunt in te nemen. Daarbij neemt zij in aanmerking dat de Nota 57 is opgesteld als wetenschappelijk onderzoeksrapport en niet geschikt is als beoordelingskader voor de beoordeling van milieuvergunningaanvragen. Zo bevat deze nota geen normafstanden of andere toetsingscriteria.

   In het rapport stallucht wordt ter voorkoming van directe ammoniakschade een afstand van minimaal 50 meter tussen stallen en meer gevoelige planten en bomen, zoals coniferen, en een afstand van minimaal 25 meter tot minder gevoelige planten en bomen aanbevolen. Daarbij wordt uitgegaan van de afstand tot de dichtstbijzijnde gevel van de dichtstbijzijnde stal.

   Niet in geschil is dat de afstand van de gevel van de dichtstbijgelegen stal tot de betreffende gewassen 80 meter bedraagt. Nu wordt voldaan aan de op grond van het rapport stallucht minimaal vereiste afstanden, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voor onaanvaardbare directe ammoniakschade niet behoeft te worden gevreesd.

2.6.    Appellanten sub 1 en 3 voeren aan dat realisering van de bij het bestreden besluit vergunde veranderingen van de inrichting zullen leiden tot visuele hinder en aantasting van landschappelijke waarden. Hiertoe voeren zij aan dat het beplantingsplan onvoldoende is om de gebouwen na enige tijd aan het oog te onttrekken. Evenmin zijn in het beplantingsplan waarborgen opgenomen omtrent het beheer en onderhoud van de beplanting, aldus appellant sub 1.

2.6.1.    De vraag of zich visuele hinder of aantasting van landschappelijke waarden voordoet komt primair aan de orde in het kader van planologische regelingen. Daarnaast blijft in het kader van vergunningverlening krachtens de Wet milieubeheer ruimte voor een aanvullende milieuhygiënische toets. Gelet op de stukken, het verhandelde ter zitting, het van de aanvraag deel uitmakende beplantingsplan en in aanmerking genomen de ruime afstand tussen de stallen en de dichtstbijgelegen woningen van derden, is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zich geen zodanige visuele hinder dan wel aantasting van landschappelijke waarden voordoet dat dit zou moeten leiden tot het weigeren van de vergunning of tot het stellen van nadere voorschriften.

2.7.    Appellanten sub 2 hebben in het beroepschrift voor het overige  verwezen naar de over het ontwerp van het besluit naar voren gebrachte zienswijzen. In het bestreden besluit heeft verweerder zijn reactie daarop gegeven. Appellanten sub 2 hebben noch in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom deze reactie onjuist zou zijn. Ook voor het overige zijn daarvoor geen gronden.

2.8.    De beroepen zijn ongegrond.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. W. Sorgdrager, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van Hardeveld

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2007

312-493.