Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA3415

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-04-2007
Datum publicatie
20-04-2007
Zaaknummer
200701573/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geloofwaardigheid asielrelaas / positieve overtuigingskracht / onderzoeksplicht

Zoals de staatssecretaris terecht heeft betoogd is het niet aan de minister dan wel de staatssecretaris om in het kader van de positieve overtuigingskracht van het asielrelaas nader te onderzoeken of het vermoeden dat de vreemdeling aan de feiten ontleent, plausibel is, maar is het aan de vreemdeling om dat aannemelijk te maken. De voorzieningenrechter heeft dan ook ten onrechte overwogen dat de minister zich, nu de vreemdeling haar vermoeden dat zij gezocht wordt door de staatsveiligheidsdienst niet aannemelijk heeft kunnen maken, niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen aanleiding bestond om nader onderzoek te verrichten naar de juistheid van de door de vreemdeling gestelde feiten, voor zover die niet aannemelijk zijn gemaakt, en dat het asielrelaas positieve overtuigingskracht ontbeert.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/259

Uitspraak

200701573/1.

Datum uitspraak: 11 april 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de Staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 07/5315 en 07/5316 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 23 februari 2007 in het geding tussen:

[vreemdeling]

en

de Minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 februari 2007 heeft de Minister van Justitie (hierna: de minister) een aanvraag van [vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 23 februari 2007, verzonden op dezelfde datum, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, (hierna: de voorzieningenrechter) voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 2 maart 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 8 maart 2007 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, afgewezen, indien een vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op feiten en omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Het is derhalve aan de desbetreffende vreemdeling om de door hem aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden tegenover de minister aannemelijk te maken.

2.1.1. Veelal is een asielzoeker niet in staat en kan redelijkerwijs ook niet van hem worden gevergd zijn relaas met afdoende bewijsmateriaal te staven. Om die asielzoeker tegemoet te komen en toch een adequate beoordeling van de aanvraag in het licht van de toepasselijke wettelijke voorschriften te kunnen verrichten, pleegt de minister blijkens het gestelde in paragrafen C1/1.2, C1/3.2.2 en C1/3.2.3 (thans: C14/3.3.2 en C14/3.3.3) van de Vreemdelingencirculaire 2000 het relaas en de daarin gestelde feiten en omstandigheden voor waar aan te nemen, indien de asielzoeker alle hem gestelde vragen zo volledig mogelijk heeft beantwoord en het relaas op hoofdlijnen innerlijk consistent en niet onaannemelijk is en strookt met wat over de algemene situatie in het land van herkomst bekend is. Bovendien is voor die tegemoetkoming vereist dat zich geen van de in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder a tot en met f, van de Vw 2000 opgesomde omstandigheden die afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van de asielzoeker voordoet.

Wordt aan dat laatste vereiste niet voldaan, dan mogen ingevolge artikel 31 van de Vw 2000, mede gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling (MvT, p. 40/41) en volgens de ter uitvoering daarvan vastgestelde beleidsregels, in het relaas ook geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen; van het asielrelaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan.

2.1.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 27 januari 2003 in zaak no. 200206297/1; AB 2003, 286), komt de minister bij de toepassing van voormeld beleid in een concreet geval beoordelingsruimte toe. De minister beoordeelt de geloofwaardigheid van het asielrelaas op basis van uitvoerige gehoren en van vergelijking van het relaas met al datgene, wat hij over de situatie in het land van herkomst weet uit ambtsberichten en andere objectieve bronnen en wat hij eerder heeft onderzocht en overwogen naar aanleiding van de gehoren van andere asielzoekers in een vergelijkbare situatie. Dit overzicht stelt hem in staat die beoordeling vergelijkenderwijs en aldus geobjectiveerd te verrichten. Het op deze wijze beoordelen van de geloofwaardigheid van het asielrelaas door de minister brengt met zich dat de rechter die beoordeling terughoudend zal dienen te toetsen.

Het vorenstaande geldt evenzeer voor de beoordeling door de minister van het realiteitsgehalte van de niet gestaafde vermoedens.

2.1.3. Ook indien de minister van oordeel is dat het asielrelaas op onderdelen aannemelijk gemaakt dan wel geloofwaardig is, zal de rechter het oordeel van de minister over de geloofwaardigheid van de andere onderdelen van dat relaas en de conclusies die de minister daaraan verbindt voor de geloofwaardigheid van de op dat relaas gebaseerde vrees voor vervolging terughoudend dienen te toetsen.

2.2. De terughoudende toetsing laat onverlet dat de rechter de besluitvorming die tot het oordeel over de geloofwaardigheid van het asielrelaas of onderdelen daarvan heeft geleid, aan de eisen die het recht daaraan stelt, met name wat betreft de zorgvuldigheid en kenbaarheid van de motivering, moet toetsen, maar staat er aan in de weg dat de rechter bij die toetsing het eigen oordeel inzake de geloofwaardigheid in plaats stelt van dat van de minister.

2.3. De voorzieningenrechter heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat de minister in redelijkheid artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 aan de vreemdeling heeft kunnen tegenwerpen en dat derhalve van het relaas een positieve overtuigingskracht dient uit te gaan.

2.4. De vreemdeling heeft vrees voor vervolging gebaseerd op de stelling dat zij wordt gezocht door de staatsveiligheidsdienst. Zij voert daartoe aan dat zij sympathisant is van de Yeketi-partij en daarvoor bepaalde activiteiten verrichtte. Op 25 november 2006 zag zij voor de woning van een vriendin waar een vergadering van deze partij zou plaatsvinden, twee auto's staan en hoorde zij een vrouw schreeuwen. Omdat zij dacht dat die auto's tot de staatsveiligheidsdienst behoorden, is zij naar het huis van haar oom gegaan. Van haar oom heeft zij nadien gehoord dat haar vader de volgende dag voor verhoor is meegenomen door de staatsveiligheidsdienst en dat deze dienst daarna regelmatig bij haar ouderlijk huis kwam. Voorts vreest zij dat de vriendin, die volgens de vreemdeling op 25 november 2006 zou zijn opgepakt, haar naam aan de staatsveiligheidsdienst zou hebben genoemd. Tot slot heeft zij aangevoerd dat zij in 2004 drie dagen gedetineerd is geweest voor het deelnemen aan een vredesdemonstratie.

2.5. De minister heeft geloofwaardig geacht dat de vreemdeling sympathieën heeft voor de Yeketi-partij, dat er op 25 november 2006 twee auto's voor het huis van de vriendin stonden en dat de vreemdeling in 2004 gedetineerd is geweest. De minister heeft zich evenwel op het standpunt gesteld dat deze omstandigheden niet het vermoeden rechtvaardigen dat de vreemdeling daaraan ontleend heeft, namelijk dat zij wordt gezocht door de staatsveiligheidsdienst. Aan de verklaringen van de vreemdeling inzake de bezoeken van de staatsveiligheidsdienst en het meenemen van haar vader wordt geen waarde gehecht omdat deze afkomstig zijn van een derde die niet als objectief verifieerbare bron kan worden aangemerkt. Dat de vriendin is opgepakt, heeft de minister niet geloofwaardig geacht, nu dit een niet onderbouwd vermoeden betreft. Gezien het voorgaande ontbeert het asielrelaas positieve overtuigingskracht, aldus de minister.

2.6. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat de minister zich niet zonder nader onderzoek op het standpunt heeft kunnen stellen dat het vermoeden van de vreemdeling niet reëel is en dat daarom het asielrelaas positieve overtuigingskracht ontbeert. Hij heeft daartoe overwogen dat de vreemdeling objectief verifieerbare gegevens naar voren heeft gebracht, zoals onder meer de naam en het adres van de vriendin bij wie vergaderingen plaatsvonden en die door de staatsveiligheidsdienst zou zijn opgepakt en het gegeven dat de vader van de vreemdeling tot op heden niet naar huis is teruggekeerd.

2.7. De staatssecretaris heeft in zijn enige grief aangevoerd dat de voorzieningenrechter, door dit laatste te overwegen, het hiervoor weergegeven toetsingskader heeft miskend. Hij heeft aangevoerd dat er in dit geval geen aanleiding bestond om nader onderzoek te doen naar de juistheid van de gegevens die de minister volgens de voorzieningenrechter had moeten onderzoeken.

2.8. Zoals de staatssecretaris terecht heeft betoogd is het niet aan de minister dan wel de staatssecretaris om in het kader van de positieve overtuigingskracht van het asielrelaas nader te onderzoeken of het vermoeden dat de vreemdeling aan de feiten ontleent, plausibel is, maar is het aan de vreemdeling om dat aannemelijk te maken.

De voorzieningenrechter heeft dan ook ten onrechte overwogen dat de minister zich, nu de vreemdeling haar vermoeden dat zij gezocht wordt door de staatsveiligheidsdienst niet aannemelijk heeft kunnen maken, niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen aanleiding bestond om nader onderzoek te verrichten naar de juistheid van de door de vreemdeling gestelde feiten, voor zover die niet aannemelijk zijn gemaakt, en dat het asielrelaas positieve overtuigingskracht ontbeert.

2.9. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 5 februari 2007, gelet op het hiervoor overwogene, alsnog ongegrond verklaren.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 23 februari 2007 in zaak nos. AWB 07/5315;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens

Voorzitter w.g. Van Helvoort

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 april 2007

361

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak