Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA3414

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-03-2007
Datum publicatie
20-04-2007
Zaaknummer
200609398/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding / geen hoger beroep tegen schadeveroorzakend besluit / Afdeling kennelijk onbevoegd

Appellant heeft de minister verzocht om vergoeding van door het besluit van 2 juni 1999 veroorzaakte schade. Ingevolge de artikelen 33d en 33e van de Vw (oud) zou de Afdeling niet bevoegd zijn geweest kennis te nemen van een hoger beroep tegen een uitspraak op het beroep tegen het besluit op bezwaar tegen dat besluit. Zoals valt af te leiden uit de uitspraken van de Afdeling van 6 mei 1997 in zaak no. H01.96.0578/Q01 (AB 1997, 229) en 7 juli 2006 in zaak no. 200603608/1 (ter voorlichting van partijen aangehecht), brengt dat mee dat evenmin hoger beroep bij de Afdeling openstaat tegen de uitspraak met betrekking tot het verzoek om de schade te vergoeden die uit het eerdere besluit zou zijn voortgevloeid. In deze wordt aangesloten bij de rechtsgang tegen het beweerdelijk schadeveroorzakende besluit. Dat de rechtbank onder de uitspraak van 28 november 2006 heeft vermeld dat daartegen hoger beroep bij de Afdeling openstaat, maakt dat niet anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200609398/1.

Datum uitspraak: 20 maart 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/12373 van de rechtbank 's Gravenhage van 28 november 2006 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Buitenlandse Zaken.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 oktober 2004 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister) een verzoek van appellant om vergoeding van schade afgewezen.

Bij besluit van 24 januari 2006 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 28 november 2006, verzonden op 30 november 2006, heeft de rechtbank ’s Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 28 december 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister is in de gelegenheid gesteld een reactie in te dienen.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 37, eerste lid, van de Wet op de Raad van State, voor zover thans van belang, kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan bij de Afdeling hoger beroep instellen tegen een uitspraak van de rechtbank, als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht, tenzij tegen de uitspraak hoger beroep kan worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep of het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

Ingevolge artikel 33d van de Vreemdelingenwet (hierna: de Vw (oud)) worden beschikkingen omtrent de afgifte van visa of machtigingen tot voorlopig verblijf, gegeven krachtens het Souverein Besluit van 12 December 1813 (Stcrt. 1814, 4), voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, gelijkgesteld met beschikkingen aangaande de toelating, gegeven op grond van deze wet.

Ingevolge artikel 33e van de Vw (oud) is artikel 37 van de Wet op de Raad van State niet van toepassing op beslissingen van de rechtbank te ’s-Gravenhage in beroep tegen beschikkingen, gegeven op grond van de Vw (oud).

2.2. Bij besluit van 2 juni 1999 heeft de minister een aanvraag om appellant een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 17 augustus 1999 heeft de minister het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 31 maart 2000 heeft de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar dient te nemen. Op 26 juli 2000 heeft de minister een bericht van geen bezwaar tegen de afgifte van een mvv afgegeven.

2.3. Appellant heeft de minister verzocht om vergoeding van door het besluit van 2 juni 1999 veroorzaakte schade. Ingevolge de artikelen 33d en 33e van de Vw (oud) zou de Afdeling niet bevoegd zijn geweest kennis te nemen van een hoger beroep tegen een uitspraak op het beroep tegen het besluit op bezwaar tegen dat besluit.

Zoals valt af te leiden uit de uitspraken van de Afdeling van 6 mei 1997 in zaak no. H01.96.0578/Q01 (AB 1997, 229) en 7 juli 2006 in zaak no. 200603608/1 (ter voorlichting van partijen aangehecht), brengt dat mee dat evenmin hoger beroep bij de Afdeling openstaat tegen de uitspraak met betrekking tot het verzoek om de schade te vergoeden die uit het eerdere besluit zou zijn voortgevloeid. In deze wordt aangesloten bij de rechtsgang tegen het beweerdelijk schadeveroorzakende besluit.

Dat de rechtbank onder de uitspraak van 28 november 2006 heeft vermeld dat daartegen hoger beroep bij de Afdeling openstaat, maakt dat niet anders.

2.4. De Afdeling is kennelijk onbevoegd van het hoger beroep kennis te nemen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart zich onbevoegd van het hoger beroep kennis te nemen.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. M.A.A. Mondt Schouten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H. van der Winden, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk

Voorzitter w.g. Van der Winden

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2007

13-473.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak