Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA3412

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-04-2007
Datum publicatie
20-04-2007
Zaaknummer
200609086/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Taalanalyse / kritische kanttekeningen

Door in de bestreden rechtsoverweging te overwegen dat uit het ambtsbericht blijkt dat in Kirkuk eenzelfde Koerdische taal als in Sulaymaniya wordt gesproken en daarom niet valt in te zien in hoeverre de taalanalist met betrekking tot de Koerdische spraak van de vreemdeling een duidelijk onderscheid tussen Kirkuk en Sulaymaniya kan maken, heeft de rechtbank niet onderkend dat een taalanalist niet volstaat met talen op zichzelf van elkaar te onderscheiden, maar zoals in voormelde uitspraak van 18 maart 2005 eerder is overwogen aan de hand van een analyse van de grammatica, woordkeuze en uitspraak van de desbetreffende vreemdeling beoordeelt waar hij taalkundig in een land is te plaatsen. In dit geval blijkt uit het rapport dat de taalanalist de vreemdeling niet louter op grond van de door haar gebezigde taal, maar op grond van haar lokale kennis van Kirkuk en haar Koerdische spraak eenduidig niet in Kirkuk en eenduidig wel in Sulaymaniya plaatst; deze conclusie is bovendien gebaseerd op de constatering van de taalanalist dat de vreemdeling geen basiskennis van het Turkmeens heeft. De rechtbank heeft derhalve niet onderkend dat het ambtsbericht niet met het rapport in tegenspraak is. Zij heeft dus ten onrechte overwogen dat de minister, omdat de vreemdeling door te verwijzen naar het ambtsbericht bij het rapport meer dan kritische kanttekeningen heeft geplaatst, daar niet langer van mocht uitgaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200609086/1.

Datum uitspraak: 11 april 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de Minister van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/17532 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo, van 20 november 2006 in het geding tussen:

[vreemdeling]

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 maart 2006 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een aanvraag van [vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 20 november 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo, (hierna: de rechtbank) het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen een nieuwe beslissing op de aanvraag neemt. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 18 december 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 3 januari 2007 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In grief 1 klaagt appellant dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, hoewel het rapport taalanalyse van 13 januari 2006 (hierna: het rapport) een deskundigenbericht is dat in dit geval niet door middel van een contra-expertise is weersproken, nu de vreemdeling door zich te beroepen op het algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken inzake Irak van april 2006 (hierna: het ambtsbericht), hetgeen eveneens een deskundigenbericht is meer dan kritische kanttekeningen bij het rapport heeft geplaatst, de minister niet langer van de resultaten van de taalanalyse mocht uitgaan en het in beroep bestreden besluit derhalve voor vernietiging in aanmerking komt. Daarbij heeft zij volgens appellant miskend dat het ambtsbericht het rapport niet weerspreekt.

2.1.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 18 maart 2005 in zaak no. 200409345/1, JV 2005/188), komt de minister, in het geval aan de gestelde identiteit en nationaliteit twijfel is gerezen, door een taalanalyse te laten uitvoeren de desbetreffende vreemdeling tegemoet bij de voldoening aan de op hem rustende verplichting om hetgeen aan zijn aanvraag ten grondslag is gelegd aannemelijk te maken. Wanneer de taalanalyse deze twijfel niet wegneemt, kan de desbetreffende vreemdeling deze door het laten verrichten van een contra-expertise alsnog trachten weg te nemen.

2.1.2. In het besluit van 17 maart 2006, gelezen in samenhang met het daarin ingelaste voornemen daartoe, heeft de minister zich onder verwijzing naar het rapport op het standpunt gesteld dat de door de vreemdeling gestelde identiteit en afkomst uit de wijk Arafa in Kirkuk, Irak, en de door haar gestelde problemen aldaar ongeloofwaardig zijn.

Volgens het rapport is de vreemdeling eenduidig niet tot de spraakgemeenschap van Kirkuk in Centraal-Irak en eenduidig wel tot die binnen de regio Sulaymaniya in Noord-Irak te herleiden, omdat samengevat weergegeven en voor zover thans van belang haar Koerdische spraak haar eenduidig in Sulaymaniya en niet in Kirkuk plaatst en zij niet ten minste een basiskennis heeft van het Turkmeens, een taal die in het dagelijks leven in Kirkuk in het algemeen, en in de wijk [wijknaam] in het bijzonder, gangbaar is. Voorts is deze conclusie gegrond op de lokale kennis van Kirkuk van de vreemdeling.

2.1.3. Door in de bestreden rechtsoverweging te overwegen dat uit het ambtsbericht blijkt dat in Kirkuk eenzelfde Koerdische taal als in Sulaymaniya wordt gesproken en daarom niet valt in te zien in hoeverre de taalanalist met betrekking tot de Koerdische spraak van de vreemdeling een duidelijk onderscheid tussen Kirkuk en Sulaymaniya kan maken, heeft de rechtbank niet onderkend dat een taalanalist niet volstaat met talen op zichzelf van elkaar te onderscheiden, maar zoals in voormelde uitspraak van 18 maart 2005 eerder is overwogen aan de hand van een analyse van de grammatica, woordkeuze en uitspraak van de desbetreffende vreemdeling beoordeelt waar hij taalkundig in een land is te plaatsen. In dit geval blijkt uit het rapport dat de taalanalist de vreemdeling niet louter op grond van de door haar gebezigde taal, maar op grond van haar lokale kennis van Kirkuk en haar Koerdische spraak eenduidig niet in Kirkuk en eenduidig wel in Sulaymaniya plaatst; deze conclusie is bovendien gebaseerd op de constatering van de taalanalist dat de vreemdeling geen basiskennis van het Turkmeens heeft. De rechtbank heeft derhalve niet onderkend dat het ambtsbericht niet met het rapport in tegenspraak is. Zij heeft dus ten onrechte overwogen dat de minister, omdat de vreemdeling door te verwijzen naar het ambtsbericht bij het rapport meer dan kritische kanttekeningen heeft geplaatst, daar niet langer van mocht uitgaan.

2.1.4. Grief 1 slaagt.

2.2. Grief 2 heeft geen zelfstandige betekenis en behoeft geen bespreking.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het beroep van de vreemdeling worden beoordeeld in het licht van de tegen het besluit van 17 maart 2006 in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover die in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen nog bespreking behoeven.

2.4.De vreemdeling heeft aangevoerd dat niet van de deskundigheid van de taalanalist kan worden uitgegaan omdat ook personen zonder enige linguïstische opleiding zich taalanalist mogen noemen.

2.4.1. Wat er van dit betoog in zijn algemeenheid ook zij, in dit geval blijkt uit het rapport dat de taalanalist een opleiding in een taalkundig vak heeft voltooid en het Sorani-Koerdisch, Turkmeens en Arabisch op moedertaalniveau spreekt. Hetgeen de vreemdeling in dit verband heeft betoogd biedt ook overigens geen grond voor het oordeel dat het rapport op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

2.5. Voorts heeft de vreemdeling aangevoerd dat de minister, indien bij een rapport taalanalyse relevante en serieuze kanttekeningen worden geplaatst, een tweede taalanalyse moet laten verrichten en hij haar mede daarom ten onrechte heeft tegengeworpen dat zij geen contra-expertise heeft laten verrichten, maar ook omdat zij de kosten daarvan niet kan dragen.

2.5.1. In aanmerking genomen dat, zoals hiervoor onder 2.1.3. is overwogen, het ambtsbericht niet met het rapport in tegenspraak is, zodat de minister van het rapport heeft mogen uitgaan, heeft de vreemdeling, volgens vaste jurisprudentie (onder meer uitspraak van 15 oktober 2003 in zaak no. 200305364/1, JV 2003/544), niet enkel door het plaatsen van kritische kanttekeningen bij de uitgevoerde taalanalyse kunnen teweegbrengen dat de minister een nieuwe taalanalyse moest verrichten, dan wel van een van de taalanalyse afwijkende conclusie diende uit te gaan, en had het op haar weg gelegen een contra-expertise te laten verrichten. Zoals de Afdeling evenzeer eerder heeft overwogen (uitspraak van 30 september 2004 in zaak no. 200405508/1, JV 2004/435), verplicht geen rechtsregel de minister om de daaraan verbonden kosten voor zijn rekening te nemen en dient de eventuele onmogelijkheid deze kosten te dragen voor risico van de vreemdeling te blijven.

2.6. Met inachtneming van het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vreemdeling haar identiteit en afkomst uit Kirkuk niet aannemelijk heeft gemaakt en heeft hij een inhoudelijke beoordeling van het asielrelaas niet ten onrechte achterwege gelaten.

2.7. Aan de hiervoor niet besproken beroepsgronden kan niet worden toegekomen. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin doet zich de situatie voor dat het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, onverbrekelijk samenhangen met hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geschil.

2.8. Het beroep is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo, van 20 november 2006 in zaak no. AWB 06/17532;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk

Voorzitter w.g. Schuurman

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 april 2007

282-491.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak