Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA3219

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-04-2007
Datum publicatie
18-04-2007
Zaaknummer
200605717/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 mei 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Margraten (hierna: het college) aan appellant vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het wijzigen van een garage/berging op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel), voor zover van belang, onder de voorwaarde dat de te realiseren garage/berging uitsluitend mag worden gebruikt als bijgebouw behorende bij de woning op het perceel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200605717/1.

Datum uitspraak: 18 april 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/2599 van de rechtbank Maastricht van 23 juni 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Margraten.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 9 mei 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Margraten (hierna: het college) aan appellant vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het wijzigen van een garage/berging op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel), voor zover van belang, onder de voorwaarde dat de te realiseren garage/berging uitsluitend mag worden gebruikt als bijgebouw behorende bij de woning op het perceel.

Bij besluit van 27 oktober 2005 heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 juni 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, de beslissing op bezwaar vernietigd en het college opgedragen met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 3 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Appellant heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 4 september 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij besluit van 12 oktober 2006 heeft het college geweigerd vrijstelling te verlenen voor het bouwplan en het door appellant tegen het besluit van 9 mei 2005 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij brief van 25 oktober 2006 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 22 november 2006 heeft appellant een nadere reactie ingediend met betrekking tot het besluit van 12 oktober 2006.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 maart 2007, waar het college, vertegenwoordigd door R.J.E. Walta, ambtenaar van de gemeente, is verschenen. Appellant is met kennisgeving niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan zijn met feiten onderbouwde standpunt dat het college aan de bouwvergunning niet de voorwaarde had mogen verbinden dat de garage/berging uitsluitend mag worden gebruikt als bijgebouw bij de woning op het perceel.

2.1.1.    Het bouwplan is deels voorzien op het kadastrale perceel 3066 en deels op het kadastrale perceel 195. Het bestemmingsplan "Kern Cadier en Keer" is op 6 juli 2004 door de gemeenteraad van Margraten vastgesteld, op 11 januari 2005 door het college van gedeputeerde staten van Limburg goedgekeurd en op 10 maart 2005 in werking getreden. Zowel ten tijde van het primaire besluit van 9 mei 2005 als de beslissing op bezwaar van 27 oktober 2005 was derhalve het bestemmingsplan "Kern Cadier en Keer" (hierna: het bestemmingsplan) van kracht. Op grond van dit bestemmingsplan rust op beide percelen de bestemming "Woondoeleinden". Bij uitspraak van 18 januari 2006 in zaak no. 200502088/1 heeft de Afdeling weliswaar goedkeuring onthouden aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" dat betrekking heeft op het perceel 195, nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart, maar op die kaart zijn de delen van perceel 195 links en rechts van de garage/berging gearceerd en het deel waar zich dit bijgebouw bevindt niet, zodat de onthouding van goedkeuring niet op dit perceelsgedeelte ziet. Ook na het bestreden besluit is derhalve op beide kadastrale percelen waarop het bouwplan is voorzien de bestemming "Woondoeleinden" blijven rusten.

2.1.2.    Voorts wordt vastgesteld dat appellant in de aanvraag om bouwvergunning heeft vermeld dat het bouwplan het geheel oprichten van een garage/berging betreft. In de toelichting heeft hij vermeld dat de bestaande berging/garage wordt vervangen en onderdeel blijft van de timmerwerkplaats. Verder heeft appellant als "huidig gebruik" van het bouwwerk en de bijbehorende terreinen en als gebruik daarvan na uitvoering van de werkzaamheden vermeld dat dit zal zijn: garage, berging, tuin.

   Het college heeft bij het primaire besluit de aanvraag van appellant aangemerkt als een aanvraag om wijziging van de bestaande garage/berging behorend bij de woning op het perceel, waarvoor aan appellant bij besluit van 12 december 2003 bouwvergunning is verleend. Uit de beslissing op bezwaar van 27 oktober 2005 blijkt dat het college de aanvraag van appellant om bouwvergunning in bezwaar is blijven aanmerken als een aanvraag om wijziging van de bestaande garage/berging behorend bij de woning op het perceel. Uit het door appellant ingediende bezwaarschrift had het college echter moeten concluderen dat de aanvraag van appellant met betrekking tot de garage/berging tevens betrekking had op het beoogde gebruik ten behoeve van de timmerwerkplaats. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het college ten onrechte in de beslissing op bezwaar de aanvraag niet tevens heeft aangemerkt als een verzoek om vrijstelling, nu het bouwplan, gelet op het beoogde gebruik, in strijd is met het bestemmingsplan.    

   Ter zitting is voorts namens het college te kennen gegeven dat met de aan de bouwvergunning verbonden voorwaarde dat de garage/berging uitsluitend mag worden gebruikt als bijgebouw bij de woning op het perceel, niets anders is bedoeld dan dat de garage/berging uitsluitend als bijgebouw mag worden gebruikt en niet als zelfstandige woning. Nu de berging/garage ook zonder deze voorwaarde niet als zelfstandige woning zou mogen worden gebruikt, slaagt het betoog van appellant niet.

2.2.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.3.    Bij besluit van 12 oktober 2006 heeft het college opnieuw beslist op het door appellant gemaakte bezwaar. Aangezien bij dit nieuwe besluit niet aan diens bezwaren is tegemoetgekomen, wordt het hoger beroep van appellant, gelet op artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht mede een beroep tegen dit besluit in te houden.

2.4.    Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.1.1. is overwogen, slaagt het betoog van appellant dat het bouwplan ten aanzien van het gebruik ten behoeve van bedrijfsdoeleinden niet in strijd is met het bestemmingsplan, niet.

2.5.    Appellant betoogt voorts dat het college op grond van het vertrouwensbeginsel niet had mogen weigeren vrijstelling te verlenen. In het verleden hebben de gemeentesecretaris en het hoofd Grondgebiedszaken van de gemeente Margraten in verschillende gesprekken ingestemd met de bouw van een bedrijfsruimte, aldus appellant. Voorts betoogt hij dat gezien de voorgeschiedenis een belangenafweging in zijn voordeel dient uit te vallen.

2.5.1.    Dit betoog slaagt niet. Appellant is er met het overleggen van de verklaring van zijn architect H.H.M. Loyson van 12 mei 2006 niet in geslaagd aannemelijk te maken dat namens het college door een daartoe bevoegde persoon is toegezegd dat een garage/berging mocht worden opgericht of gebruikt bij de timmerwerkplaats. Voorts heeft het college zijn besluit om geen vrijstelling te verlenen gemotiveerd met een verwijzing naar de eerder genoemde uitspraak van de Afdeling. Hierin wordt het standpunt dat een woonbestemming ter plaatse planologisch gezien passend is, gezien de omgeving van de percelen van appellant, niet onredelijk geacht. Voorts vreest het college precedentwerking. Dit standpunt komt de Afdeling evenmin onredelijk voor.

   Vorenstaande leidt tot de conclusie dat het college in redelijkheid heeft kunnen weigeren vrijstelling te verlenen.

2.6.    Het beroep van appellant tegen het besluit van 12 oktober 2006 is ongegrond.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    verklaart het beroep tegen het besluit van 12 oktober 2006 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump                         w.g. Steinebach-de Wit

Voorzitter                         ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 april 2007

328-488.