Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA3210

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-04-2007
Datum publicatie
18-04-2007
Zaaknummer
200701355/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 januari 2007 heeft verweerder aan verzoekster een nadere eis, als bedoeld in artikel 5 van het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer (hierna: het Besluit), gesteld ten aanzien van haar inrichting op het adres [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 15 januari 2007 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200701355/2.

Datum uitspraak: 13 april 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Bodegraven,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 2 januari 2007 heeft verweerder aan verzoekster een nadere eis, als bedoeld in artikel 5 van het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer (hierna: het Besluit), gesteld ten aanzien van haar inrichting op het adres [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 15 januari 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 22 februari 2007, bij de Raad van State ingekomen op 23 februari 2007, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 16 maart 2007.

Bij brief van 2 maart 2007, bij de Raad van State ingekomen op 2 maart 2007, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 2 april 2007, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. C.J.R. van Binsbergen, advocaat te Alphen aan den Rijn, en C.T. Potuyt, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. drs. W.M. Logtenberg, ing. A. de Vast en drs. R.P.J. Mels, ambtenaren van de milieudienst Midden-Holland, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Bij het bestreden besluit heeft verweerder de nadere eis gesteld dat de koelaggregaten van vrachtwagens geparkeerd op het terrein van de inrichting uitsluitend elektrisch aangedreven mogen worden. Dit geldt tevens voor de vrachtwagens die worden geladen en/of gelost op het terrein van de inrichting. Binnen twee maanden na het in werking treden van het bestreden besluit dient aan het bovenstaande te worden voldaan.

2.3.    Verweerder heeft de nadere eis gesteld om te bereiken dat aan de gestelde geluidgrenswaarden in de bij het Besluit behorende bijlage kan worden voldaan.

2.4.    Verzoekster kan zich niet vinden in de gestelde nadere eis.

2.5.    Ter zitting is het volgende gebleken. Verweerder is ervan uitgegaan dat er gelijktijdig vijftien vrachtwagens kunnen zijn die, middels koelaggregaten, gekoeld moeten worden. Verzoekster heeft te kennen gegeven dat dit er maximaal tien zullen zijn. Onder de huidige omstandigheden is het mogelijk om de koelaggregaten van twee vrachtwagens elektrisch aan te drijven. Hierbij wordt gekozen voor de koelaggregaten van de twee oudste, meest geluidveroorzakende vrachtwagens. Verzoekster heeft verder kenbaar gemaakt dat de vrachtwagens in toenemende mate worden vervangen door vrachtwagens met geluidarme motoren die aanzienlijk minder geluid veroorzaken. Eén vrachtwagen is reeds vervangen en binnen een termijn van twee tot drie weken na de zitting verwacht zij weer drie nieuwe vrachtwagens die de oudste, meest geluidveroorzakende vrachtwagens gaan vervangen. Door verzoekster zal akoestisch worden onderzocht of onder bovengenoemde omstandigheden aan de gestelde geluidgrenswaarden in de bij het Besluit behorende bijlage kan worden voldaan. Tot slot is ter zitting gebleken dat reeds acht jaar volgens de huidige werkwijze wordt gewerkt.

2.6.    Gelet op het vorenstaande en bij afweging van de betrokken belangen ziet de Voorzitter aanleiding in afwachting van het oordeel van de Afdeling de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.7.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Bodegraven van 2 januari 2007, kenmerk 7800.06, voor zover het de gestelde nadere eis betreft;

II.    treft de voorlopige voorziening dat de nadere eis als volgt komt te luiden:

"Ten aanzien van de op het terrein van de inrichting aanwezige vrachtwagens die staan geparkeerd, dan wel worden geladen en/of gelost, moeten de koelaggregaten van de twee oudste vrachtwagens, die het meeste geluid veroorzaken, elektrisch worden aangedreven.";

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Bodegraven tot vergoeding van bij verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Bodegraven aan verzoekster onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat de gemeente Bodegraven aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. L.A.M. van Hamond, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink                                w.g. Van Hamond

Voorzitter                                ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2007

446