Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA3198

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-04-2007
Datum publicatie
18-04-2007
Zaaknummer
200605448/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 augustus 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Smallingerland (hierna: het college) geweigerd appellant bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een woning met inpandige bedrijfsruimte en een bijgebouw op het perceel aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Woningwet
Woningwet 40
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 49
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2007/381
AB 2007, 193

Uitspraak

200605448/1.

Datum uitspraak: 18 april 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 05/2341 van de rechtbank Leeuwarden van 22 juni 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Smallingerland.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 2 augustus 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Smallingerland (hierna: het college) geweigerd appellant bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een woning met inpandige bedrijfsruimte en een bijgebouw op het perceel aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 23 november 2005 heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 juni 2006, verzonden op 23 juni 2006, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 juli 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 5 oktober 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 maart 2007, waar appellant in persoon en het college, vertegenwoordigd door mr. J. Boersma en mr. J.H. Jonker, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Het bouwplan voorziet in het oprichten van een woning met inpandige bedrijfsruimte en een bijgebouw ten behoeve van de door appellant geëxploiteerde onderneming, waarin hij het klussenbedrijf uitoefent. De gevraagde bouwvergunning kan uitsluitend met toepassing van de in artikel 13, lid a, aanhef en onder 7, van de voorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied" opgenomen wijzigingsbevoegdheid worden verleend.

2.2.    De rechtbank heeft in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren medewerking aan het bouwplan te verlenen, omdat niet wordt voldaan aan het in het bestemmingsplan voor de uitoefening van de wijzigingsbevoegdheid gestelde vereiste dat de uitvoering van het bouwplan zeker is gesteld. Appellant heeft, onder erkenning dat het college mocht verlangen dat hij mogelijke planschade voor zijn rekening zou nemen, voor zijn weigering daartoe een overeenkomst aan te gaan geen ander argument naar voren gebracht, dan dat hij in een te laat stadium van deze voorwaarde in kennis is gesteld om daarmee bij de beslissing omtrent aankoop van het perceel rekening te kunnen houden. Anders dan appellant betoogt, leidt het tijdstip waarop hij van een en ander in kennis is gesteld niet tot het oordeel dat die voorwaarde om die reden niet of niet meer mocht worden gesteld.

2.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. C.J.M. Schuyt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Duursma, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb               w.g. Duursma

Voorzitter              ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 april 2007

328-378-544