Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA3190

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-04-2007
Datum publicatie
18-04-2007
Zaaknummer
200605675/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 april 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Dalfsen (hierna: het college) aan de Dienst Landelijk Gebied voor ontwikkeling en beheer (hierna: vergunninghouder) een aanlegvergunning verleend voor het graven van twee poelen en een bypass van de Emmertochtsloot en het inplanten van bosplantsoen op het perceel langs de Poppenallee en de grens met de gemeente Zwolle (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Wet op de Ruimtelijke Ordening 44
Flora- en faunawet
Flora- en faunawet 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2007/412
ABkort 2007/232

Uitspraak

200605675/1.

Datum uitspraak: 18 april 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/141 van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 27 juni 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Dalfsen.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 14 april 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Dalfsen (hierna: het college) aan de Dienst Landelijk Gebied voor ontwikkeling en beheer (hierna: vergunninghouder) een aanlegvergunning verleend voor het graven van twee poelen en een bypass van de Emmertochtsloot en het inplanten van bosplantsoen op het perceel langs de Poppenallee en de grens met de gemeente Zwolle (hierna: het perceel).

Bij besluit van 6 december 2005 heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 juni 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de rechtbank) het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 1 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 2 augustus 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 28 augustus 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 26 september 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 maart 2007, waar appellant, in persoon, en het college, vertegenwoordigd door J. Buist, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Vergunninghouder is, met bericht, niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 14 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna:  de WRO) kan bij een bestemmingsplan worden bepaald, dat het verboden is binnen een bij het plan aan te geven gebied bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning).

   Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder a, van de WRO mag alleen en moet de aanlegvergunning worden geweigerd, indien het werk of de werkzaamheid in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen.

   Op het perceel rust ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied" (hierna: het bestemmingsplan) de bestemming "agrarisch cultuurgebied" met de nadere aanduiding "verkavelingsstructuur".

   Ingevolge artikel 3, lid A, onder 1, van de planvoorschriften zijn gronden met die bestemming bestemd voor:

- de uitoefening van het agrarisch bedrijf, waaronder begrepen het boomkwekerijbedrijf;

- verkeersdoeleinden, uitsluitend voor de wegen en (fiets-)paden zoals die bestonden op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan;

- de waterhuishouding;

- een kleinschalig kampeerterrein in directe relatie met (op het bijbehorende erf van) een agrarisch bedrijf en met dien verstande dat stacaravans niet zijn toegestaan;

- de extensieve recreatie (voet-, fiets- en/of ruiterpaden en parkeergelegenheid); alsmede indien en voor zover de gronden op de kaart zijn aangeduid met "verkavelingsstructuur":

- het behoud en de bescherming van de landschappelijke en/of cultuurhistorische waarde zoals deze tot uitdrukking komt in het verkavelingspatroon en de dat patroon ondersteunende landschapselementen.

   Ingevolge artikel 3, lid E, onder 1, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, is het verboden op of in de tot "agrarisch cultuurgebied" bestemde gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) buiten bouwpercelen de in dat artikel vermelde andere werken en/of werkzaamheden, geen normale onderhouds- of exploitatiewerkzaamheden zijnde, uit te voeren.

   Ingevolge artikel 3, lid E, onder 2, aanhef en onder d en h, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, worden voor de gebieden met de aanduiding "verkavelingsstructuur" tevens begrepen het zaaien of inplanten van bomen en andere houtopstanden en het graven, vergraven, verbreden, verdiepen of dempen van watergangen, vijvers en poelen.

   Ingevolge artikel 3, lid E, onder 4, van de planvoorschriften zijn de andere werken en/of werkzaamheden als bedoeld onder 1 en 2 slechts toelaatbaar indien door die andere werken en/of werkzaamheden, dan wel door de daarvan, hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen, de landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden en/of aangrenzende natuurlijke waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.

2.2.    De stelling van appellant dat de door vergunninghouder uitgevoerde werken afwijken van de verleende aanlegvergunning, kan bij de beoordeling van de rechtmatigheid van die vergunning geen rol spelen. Indien appellant van mening is dat in afwijking van de aanlegvergunning werken zijn uitgevoerd, kan hij het college verzoeken daartegen handhavend op te treden.

2.3.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de aanlegvergunning niet in strijd met het bestemmingsplan is verleend, nu uitvoering van de werken leidt tot een verandering van de bestemming van het perceel van "agrarisch cultuurgebied" naar "natuurgebied".

2.3.1.    Op het perceel rust niet alleen de bestemming "agrarisch cultuurgebied", maar ook de aanduiding "verkavelingsstructuur". Op grond van die aanduiding is het perceel tevens bestemd voor het behoud en de bescherming van de landschappelijke en/of cultuurhistorische waarde zoals deze tot uitdrukking komt in het verkavelingspatroon en de dat patroon ondersteunende landschapselementen. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanduiding "verkavelingsstructuur" betrekking heeft op de aanwezige waterpartijen en houtopstanden, als ook dat de structuur van het landschap met name wordt bepaald door die waterpartijen en dat het perceel in het verlengde ligt van een bosperceel. Het college heeft voorts aangegeven dat de werken waarvoor de aanlegvergunning is verleend, worden uitgevoerd binnen één perceel, dat een overgangsgebied vormt tussen agrarische percelen en percelen met een natuurbestemming. Appellant heeft dit niet weersproken. Gelet hierop, moet worden geoordeeld  dat het graven van twee poelen en een bypass en het inplanten van bosplantsoen past binnen de aanduiding "verkavelingsstructuur". De rechtbank heeft het verlenen van de aanlegvergunning dan ook terecht niet in strijd geacht met het bestemmingsplan.

   Het betoog faalt.

2.4.    Appellant betoogt vergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat artikel 59, tweede lid, van de Flora- en faunawet aan verlening van de aanlegvergunning in de weg staat. De vragen of voor de uitvoering van de werken waarvoor de aanlegvergunning is verleend toestemming van appellant als bedoeld in voormelde bepaling nodig is en zo ja, of hiervan ontheffing kan worden verleend, komen aan de orde in de procedure op grond van de Flora- en Faunawet. Zij kunnen in deze procedure, gelet op de in artikel 44, eerste lid, aanhef en onder a, van de WRO limitatief opgesomde weigeringsgronden, geen rol spelen. De verwijzing van appellant naar de uitspraak van de Afdeling van 12 mei 2004 in zaak no. 200305190/1 leidt niet tot een ander oordeel, nu die zaak, anders dan deze zaak, betrekking had op de verlening van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO, waarvoor geen limitatief stelsel van weigeringsgronden geldt.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom      w.g. Van Roessel

Lid van de enkelvoudige kamer        ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 april 2007

270-457.