Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA2996

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-04-2007
Datum publicatie
18-04-2007
Zaaknummer
200607214/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WBV 2004/60 / westerse levensstijl / motivering

Nu de vreemdeling sub 2 slechts heeft aangevoerd dat zij in het land van herkomst eenmaal is geslagen door de Taliban omdat zij geen sokken droeg en dat zij inmiddels een westerse levensstijl heeft aangenomen, bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister, door te stellen dat niet wordt voldaan aan de vereisten van het WBV 2004/60, omdat geen zwaarwegende feiten en/of omstandigheden naar voren zijn gebracht die de conclusie rechtvaardigen dat juist van haar niet, zoals in de regel, zou mogen worden gevergd zich wederom aan de levensstijl in Afghanistan aan te passen, onvoldoende heeft gemotiveerd dat zij niet in aanmerking komt voor verblijf op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Met betrekking tot de situatie van de dochter, bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister, gezien haar jonge leeftijd, niet heeft kunnen volstaan met de motivering weergegeven in het voornemen en het besluit ten aanzien van haar moeder. In het voornemen vermeldt de minister de dochter uitdrukkelijk, waaruit de Afdeling afleidt dat haar belangen in het voornemen en het bij de rechtbank bestreden besluit zijn meegewogen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/257

Uitspraak

200607214/1.

Datum uitspraak: 6 april 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:

1. [vreemdeling 1] en

2. [vreemdeling 2], mede ten behoeve van haar minderjarige kinderen, en

3. de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

appellanten,

tegen de uitspraak in de zaken nos. AWB 06/11969 en 06/11968 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo, van 5 september 2006 in de gedingen tussen:

appellanten sub 1 en 2,

en

appellant sub 3.

1. Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 13 januari 2003 heeft appellant sub 3 (hierna: de minister) aanvragen van appellant sub 1 (hierna: de vreemdeling sub 1) en appellante sub 2 (hierna: de vreemdeling sub 2; tezamen: de vreemdelingen) om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Bij uitspraak van 26 juli 2005, verzonden op 27 juli 2005, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Alkmaar, de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, de bestreden besluiten vernietigd en de minister opgedragen nieuwe besluiten op de aanvragen te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Bij uitspraak van 4 november 2005 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het daartegen door de vreemdeling sub 1 ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Bij onderscheiden besluiten van 24 februari 2006 heeft de minister de aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen opnieuw afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 5 september 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling sub 1 ingestelde beroep ongegrond verklaard, het door de vreemdeling sub 2 ingestelde beroep gegrond verklaard, het door haar bestreden besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit op haar aanvraag te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen bij onderscheiden brieven, bij de Raad van State binnengekomen op 2 oktober 2006, hoger beroep ingesteld. De minister heeft bij brief, eveneens bij de Raad van State binnengekomen op 2 oktober 2006, hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak voor zover deze ziet op de gegrondverklaring van het beroep van de vreemdeling sub 2. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij onderscheiden brieven van 6 oktober 2006 en 18 oktober 2006 hebben de vreemdeling sub 2 en de minister een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

In het hoger beroep van de vreemdeling sub 2

2.1. Het hoger-beroepschrift van de vreemdeling sub 2 is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister terecht heeft geoordeeld dat zij niet vanwege haar westerse levensstijl in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000).

2.1.1. De rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Alkmaar, heeft in haar uitspraak van 26 juli 2005 met betrekking tot het beroep van de vreemdeling sub 1 op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 geoordeeld dat daarin geen grond te vinden is voor het oordeel dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling sub 1 geen vluchteling is en nu het relaas van de vreemdeling sub 2 ter zake volledig afhankelijk is van dat van haar echtgenoot, zijnde de vreemdeling sub 1, de minister evenzeer terecht heeft gesteld dat zij, gelijk haar echtgenoot, niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op deze grond. De rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Alkmaar heeft onder gegrondverklaring van de beroepen de bij haar bestreden besluiten evenwel vernietigd, omdat de minister niet heeft gemotiveerd waarom de cessation clause van artikel 1(C) van het Vluchtelingenverdrag wegens dwingende omstandigheden buiten toepassing moest blijven. Het hoger beroep van de vreemdeling sub 1 tegen deze uitspraak is ongegrond verklaard. De vreemdeling sub 2, noch de minister heeft tegen voormelde uitspraak hoger beroep ingesteld. Daarmee is die uitspraak in rechte komen vast te staan. De minister heeft zich in zijn nieuwe voornemen en besluit met betrekking tot artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 niet beperkt tot de vraag of en waarom de cessation clause buiten toepassing moest blijven, maar heeft opnieuw volledig bezien of de vreemdeling sub 2 in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel. Gezien het overwogene in de uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2003 in zaak no. 200206222/1, AB 2003, 355, had de rechtbank zich evenwel met betrekking tot artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 dienen te beperken tot de beoordeling van het ditmaal gemotiveerde standpunt van de minister met betrekking tot de cessation clause. Door in dit kader een oordeel te geven over de vraag of de minister de vreemdeling sub 2 gezien haar westerse levensstijl terecht een verblijfsvergunning asiel op de in artikel 29, eerste lid, onder a, van de Vw 2000 neergelegde grond heeft onthouden, is de rechtbank buiten de omvang van het geding getreden en kunnen de grieven van de vreemdeling sub 2 tegen het oordeel van de rechtbank daarover niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Nu het hoger beroep van de vreemdeling sub 2 niet ziet op de overwegingen met betrekking tot de cessation clause van artikel 1(C) van het Vluchtelingenverdrag, is het hoger beroep reeds daarom kennelijk ongegrond.

In het hoger beroep van de minister

2.2. Ingevolge artikel 70, eerste lid, van de Vw 2000, voor zover thans van belang, wordt in afwijking van de artikelen 2:1 en 8:24 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) het hoger beroep ingesteld door de vreemdeling in persoon, zijn wettelijke vertegenwoordiger, zijn bijzondere gemachtigde of een advocaat, indien deze verklaart daartoe bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd.

2.2.1. Het betoog van de vreemdeling sub 2 dat het hoger beroep van de minister niet ontvankelijk is, omdat de advocaat die het hoger beroepschrift heeft ingediend niet heeft verklaard dat hij tot het instellen van het hoger beroep bepaaldelijk is gevolmachtigd, noopt niet tot het oordeel dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is. Artikel 70, eerste lid, van de Vw 2000 ziet, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 maart 2002 in zaak no. 200105914/1; AB 2002,132), naar tekst en strekking uitsluitend op door of namens een vreemdeling aangewende rechtsmiddelen.

2.3. In zijn enige materiële grief klaagt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij, de inhoud van de recente algemene ambtsberichten inzake Afghanistan in aanmerking genomen, zich niet zonder nadere motivering en zonder te letten op de bijzondere omstandigheden van het onderhavige geval, op het standpunt heeft mogen stellen dat er geen reden is om aan te nemen dat de vreemdeling sub 2 en met name haar dochter bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico lopen op een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Hiertoe voert de minister aan dat hij in het besluit en het daarin ingelaste voornemen is ingegaan op hetgeen door de vreemdeling sub 2 naar voren is gebracht met betrekking tot de westerse levensstijl die zij en haar dochter in Nederland hebben aangenomen en dit onvoldoende heeft mogen achten om de vreemdeling sub 2 en haar dochter voor verblijfsaanvaarding op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 in aanmerking te doen komen.

2.3.1. In paragraaf 4.2.1 van het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (hierna: het WBV) 2004/60, getiteld "Vrouwen die (in Nederland) een westerse levensstijl hebben aangenomen" is vermeld dat wanneer een individuele vreemdeling aannemelijk maakt dat zij vanwege haar levensstijl zwaarwegende problemen heeft ondervonden in Afghanistan en deze problemen (mede) aanleiding zijn geweest voor het vertrek, dit voldoende kan zijn om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000 te verlenen. Het aannemen van een andere levensstijl na vertrek uit het land van herkomst zal volgens deze paragraaf in de regel niet leiden tot verblijfsaanvaarding, aangezien het feit dat betrokkene in Nederland gebruik heeft gemaakt van mogelijkheden en rechten van de Nederlandse samenleving niet betekent dat zij zich bij terugkeer niet wederom zal kunnen accommoderen.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 2 maart 2006 in zaak no. 200507185/1; JV 2006/152) volgt uit het voorgaande dat het aan de betrokken vrouw is om desgewenst met haar persoonlijk aangaande feiten of omstandigheden aannemelijk te maken dat zij zich niet wederom zal kunnen accommoderen.

2.3.2. Nu de vreemdeling sub 2 slechts heeft aangevoerd dat zij in het land van herkomst eenmaal is geslagen door de Taliban omdat zij geen sokken droeg en dat zij inmiddels een westerse levensstijl heeft aangenomen, bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister, door te stellen dat niet wordt voldaan aan de vereisten van het WBV 2004/60, omdat geen zwaarwegende feiten en/of omstandigheden naar voren zijn gebracht die de conclusie rechtvaardigen dat juist van haar niet, zoals in de regel, zou mogen worden gevergd zich wederom aan de levensstijl in Afghanistan aan te passen, onvoldoende heeft gemotiveerd dat zij niet in aanmerking komt voor verblijf op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Met betrekking tot de situatie van de dochter, bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister, gezien haar jonge leeftijd, niet heeft kunnen volstaan met de motivering weergegeven in het voornemen en het besluit ten aanzien van haar moeder. In het voornemen vermeldt de minister de dochter uitdrukkelijk, waaruit de Afdeling afleidt dat haar belangen in het voornemen en het bij de rechtbank bestreden besluit zijn meegewogen.

De grief slaagt.

In het hoger beroep van de vreemdeling sub 1

2.4. De vreemdeling sub 1 klaagt in hoger beroep uitsluitend dat de rechtbank ten onrechte aan zijn beroep op het bepaalde in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 voorbij is gegaan.

2.4.1. De vreemdeling sub 1 heeft zich in zijn zienswijze naar aanleiding van het voornemen tot afwijzing van zijn aanvraag op het standpunt gesteld dat hij in aanmerking behoort te komen voor een afgeleide verblijfsvergunning, als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000, omdat zijn vrouw en dochter in aanmerking behoren te komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze zienswijze heeft hij ingelast in zijn beroepschrift van 7 maart 2006. De rechtbank is, gelet op artikel 8:69, eerste lid, van de Awb, ten onrechte niet op de desbetreffende beroepsgrond ingegaan.

De grief slaagt.

2.5. De hoger beroepen van de minister en de vreemdeling sub 1 zijn kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Het hoger beroep van de vreemdeling sub 2 is kennelijk ongegrond. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling sub 2 in zaak no. AWB 06/11968, gelet op het vorenoverwogene, alsnog ongegrond verklaren. Gezien de ongegrondverklaring van het beroep van de vreemdeling sub 2, heeft de minister de vreemdeling sub 1 terecht een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 onthouden. De overige bij de rechtbank aangevoerde beroepsgronden zijn door haar verworpen in uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven oordelen. Nu tegen de aldus gegeven oordelen in hoger beroep niet is opgekomen en deze losstaan van hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling sub 1 in zaak no. AWB 06/11969 eveneens ongegrond verklaren.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de hoger beroepen van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie en appellant sub 1 gegrond;

II. verklaart het hoger beroep van appellante sub 2 ongegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo, van 5 september 2006 in de zaken nos. AWB 06/11969 en 06/11968;

IV. verklaart de door appellanten sub 1 en 2 bij de rechtbank in die zaken ingestelde beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. D. Roemers, Leden,

in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

Voorzitter w.g. Groeneweg

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 april 2007

32-532.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak