Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA2833

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-04-2007
Datum publicatie
12-04-2007
Zaaknummer
200700064/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoor en wederhoor / bijwonen zitting

Bij brief van 18 mei 2006 heeft de rechtbank appellante uitgenodigd voor de behandeling van het beroep ter openbare zitting op 28 augustus 2006. Bij brief van 12 juli 2006 met als onderwerp "nadere aanvulling gronden beroep / verzoek afdoening op stukken" heeft appellante nadere beroepsgronden ingediend, aan de rechtbank meegedeeld dat zij noch haar gemachtigde bij de behandeling van het beroep ter zitting aanwezig zal zijn om het woord te voeren en verzocht om het beroep op de stukken af te doen. Bij brief van 8 augustus 2006 heeft de rechtbank appellante meegedeeld dat de behandeling van het beroep ter zitting van 28 augustus 2006 is verdaagd. Vervolgens heeft de rechtbank appellante bij brief van 28 augustus 2006 uitgenodigd voor de behandeling van het beroep ter openbare zitting op 20 oktober 2006. Bij brief van 9 oktober 2006 heeft appellante de beroepsgronden nader aangevuld. Bij voormelde brief van 9 oktober 2006 heeft appellante haar eerdere mededeling dat zij noch haar gemachtigde ter zitting aanwezig zal zijn om het woord te voeren en het verzoek om het beroep op de stukken af te doen, niet herroepen. Evenmin is gebleken dat (de gemachtigde van) appellante anderszins kenbaar en tijdig aan de rechtbank heeft meegedeeld voornemens te zijn de zitting op 20 oktober 2006 wel te zullen bijwonen. Onder deze omstandigheden zijn de gestelde misverstanden op de zittingsdag met betrekking tot de melding bij de balie, met als gevolg dat de rechtbank het onderzoek ter zitting heeft geopend en gesloten zonder van de komst van de gemachtigde van appellante in kennis gesteld te zijn, voor risico van (de gemachtigde van) appellante en bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:54
Algemene wet bestuursrecht 8:56
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/238

Uitspraak

200700064/1.

Datum uitspraak: 6 april 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellante],

appellante,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/53805 van de rechtbank

's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 7 december 2006 in het geding tussen:

appellante

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 november 2005 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie een aanvraag van appellante om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen en geweigerd om haar ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 7 december 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 3 januari 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 16 januari 2007 heeft de Minister van Justitie een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de enige grief klaagt appellante dat, samengevat weergegeven, de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het beroep is behandeld ter zitting van 20 oktober 2006 waar appellante noch haar gemachtigde is verschenen. Volgens appellante heeft de rechtbank ten onrechte het onderzoek ter zitting gesloten zonder haar gemachtigde een toelichting op het beroep te laten geven. Appellante betoogt dat haar gemachtigde zich in verband met de behandeling van het beroep ter zitting tijdig heeft gemeld bij de balie van de rechtbank, zodat het de rechtbank bekend had moeten zijn dat het beroep namens appellante zou worden toegelicht.

2.2. Bij brief van 18 mei 2006 heeft de rechtbank appellante uitgenodigd voor de behandeling van het beroep ter openbare zitting op 28 augustus 2006. Bij brief van 12 juli 2006 met als onderwerp "nadere aanvulling gronden beroep / verzoek afdoening op stukken" heeft appellante nadere beroepsgronden ingediend, aan de rechtbank meegedeeld dat zij noch haar gemachtigde bij de behandeling van het beroep ter zitting aanwezig zal zijn om het woord te voeren en verzocht om het beroep op de stukken af te doen. Bij brief van 8 augustus 2006 heeft de rechtbank appellante meegedeeld dat de behandeling van het beroep ter zitting van 28 augustus 2006 is verdaagd. Vervolgens heeft de rechtbank appellante bij brief van 28 augustus 2006 uitgenodigd voor de behandeling van het beroep ter openbare zitting op 20 oktober 2006. Bij brief van 9 oktober 2006 heeft appellante de beroepsgronden nader aangevuld.

2.3. Bij voormelde brief van 9 oktober 2006 heeft appellante haar eerdere mededeling dat zij noch haar gemachtigde ter zitting aanwezig zal zijn om het woord te voeren en het verzoek om het beroep op de stukken af te doen, niet herroepen. Evenmin is gebleken dat (de gemachtigde van) appellante anderszins kenbaar en tijdig aan de rechtbank heeft meegedeeld voornemens te zijn de zitting op 20 oktober 2006 wel te zullen bijwonen. Onder deze omstandigheden zijn de gestelde misverstanden op de zittingsdag met betrekking tot de melding bij de balie, met als gevolg dat de rechtbank het onderzoek ter zitting heeft geopend en gesloten zonder van de komst van de gemachtigde van appellante in kennis gesteld te zijn, voor risico van (de gemachtigde van) appellante en bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden. De grief faalt.

2.4. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.P.M. Zwinkels, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin

Voorzitter w.g. Zwinkels

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 april 2007

309-553.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak