Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA2831

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-04-2007
Datum publicatie
12-04-2007
Zaaknummer
200701970/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / zicht op uitzetting / uitstekende beheersing van de Nederlandse taal

De enkele omstandigheid dat N.N., volgens de rechtbank, de Nederlandse taal uitstekend beheerst, brengt niet met zich dat de staatssecretaris reeds daarom had moeten aannemen dat N.N. de Nederlandse nationaliteit heeft en derhalve van uitzetting geen sprake kan zijn. Voor zover N.N. medewerking aan de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit weigert, mogen de gevolgen daarvan, waaronder de voortzetting van de bewaring, waarvan de duur niet bij wet is gemaximeerd, in beginsel voor zijn rekening worden gelaten.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 1
Vreemdelingenwet 2000 8
Vreemdelingenwet 2000 59
Vreemdelingenwet 2000 94
Wet op de identificatieplicht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/232

Uitspraak

200701970/1.

Datum uitspraak: 2 april 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de Staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 07/10061 van de rechtbank 's Gravenhage van 19 maart 2007 in het geding tussen:

N.N. PI 1308 M070122 0346,

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 maart 2007 is de persoon aangeduid als N.N. PI 1308 M070122 0346 (hierna: N.N.) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 19 maart 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door N.N. ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel bevolen en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant (hierna: de staatssecretaris) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 20 maart 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 26 maart 2007 heeft N.N. een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat nu N.N., die heeft verklaard dat hij om principiële redenen medewerking aan de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit weigert, uitstekend Nederlands spreekt, zij het zeer aannemelijk acht dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft, zodat geen zicht op uitzetting bestaat. Daartoe betoogt hij dat de rechtbank aldus heeft miskend dat bij het vaststellen van de Nederlandse nationaliteit geen doorslaggevende betekenis aan het beheersen van de Nederlandse taal toekomt en het weigeren van medewerking bij het vaststellen van de identiteit en nationaliteit op zichzelf niet kan leiden tot de conclusie dat zicht op uitzetting ontbreekt.

2.1.1. De grief slaagt. De enkele omstandigheid dat N.N., volgens de rechtbank, de Nederlandse taal uitstekend beheerst, brengt niet met zich dat de staatssecretaris reeds daarom had moeten aannemen dat N.N. de Nederlandse nationaliteit heeft en derhalve van uitzetting geen sprake kan zijn. Voor zover N.N. medewerking aan de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit weigert, mogen de gevolgen daarvan, waaronder de voortzetting van de bewaring, waarvan de duur niet bij wet is gemaximeerd, in beginsel voor zijn rekening worden gelaten.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

2.3. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 5 maart 2007 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

2.3.1. In beroep heeft N.N. aangevoerd dat, nu de staatssecretaris geen handelingen ter fine van uitzetting heeft verricht, hij onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.

2.3.2. Bij brief van 15 maart 2007 heeft de staatssecretaris de rechtbank medegedeeld dat een gehoor van N.N. op 16 maart

2007 was gepland, doch, nu N.N. op die dag in verband met de behandeling van het beroep ter zitting van de rechtbank zou moeten verschijnen, hij dat gehoor naar 21 maart 2007 heeft verplaatst. Onder deze omstandigheden, in aanmerking genomen dat N.N. stelselmatig iedere medewerking weigert, bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarendheid heeft betracht ter vaststelling van de identiteit en nationaliteit van N.N. De grond faalt derhalve.

2.3.3. Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden komt de Afdeling niet toe. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin doet zich de situatie voor dat het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, onverbrekelijk samenhangen met hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding.

2.3.4. Gelet op het voorgaande zal de Afdeling het beroep van N.N. tegen de inbewaringstelling ongegrond verklaren. Er is geen grond voor schadevergoeding.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 19 maart 2007 in zaak no. AWB 07/10061;

III. verklaart het door N.N. bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

Voorzitter w.g. Hazen

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 april 2007

452

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak