Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA2829

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-04-2007
Datum publicatie
12-04-2007
Zaaknummer
200608128/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 maart 2003 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) appellant ongewenst verklaard.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/234

Uitspraak

200608128/1.

Datum uitspraak: 3 april 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/11687 van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Roermond, van 9 oktober 2006 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 maart 2003 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) appellant ongewenst verklaard.

Bij besluit van 6 februari 2006 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 9 oktober 2006, verzonden op 11 oktober 2006, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Roermond (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 8 november 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 22 november 2006 heeft de minister een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In grief 1 klaagt appellant, samengevat weergegeven, dat de rechtbank, door te overwegen dat de minister in de omstandigheid dat aan zijn echtgenote en dochter een verblijfsvergunning is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) terecht geen grond heeft gezien voor het oordeel dat een objectieve belemmering aan de uitoefening van het familie- en gezinsleven in Irak in de weg staat, heeft miskend dat deze omstandigheid volgens paragraaf B2/13.2.3.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) een objectieve belemmering oplevert.

2.1.1. Volgens paragraaf B2/13.2.3.4 van de Vc 2000, samengevat weergegeven, voor zover thans van belang en zoals deze ten tijde van de beslissing op bezwaar luidde, zal in iedere zaak moeten worden beoordeeld of sprake is van een objectieve belemmering. Indien op het moment waarop de toets aan artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden plaatsvindt, ten aanzien van vreemdelingen afkomstig uit een bepaald (gedeelte van een) land of behorend tot een bepaalde bevolkingsgroep een beleid wordt gevoerd op grond waarvan zij - ongeacht de individuele merites van de casus - op voorhand in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel (artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000), bestaat er een vermoeden van objectieve belemmering. Dat vermoeden van een objectieve belemmering kan slechts op individuele gronden van de betreffende concrete zaak worden weerlegd.

2.1.2. Nu de minister in een brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 20 januari 2006 (TK 2005-2006, 19 637, nr. 1003) te kennen heeft gegeven dat het categoriaal beschermingsbeleid voor Centraal-Irak wordt beëindigd, gold ten tijde van de beslissing op bezwaar van 6 februari 2006 geen beleid van categoriale bescherming voor Irak en hoefde de minister volgens het hiervoor vermelde beleid geen vermoeden van een objectieve belemmering aan te nemen. Grief 1 faalt derhalve.

2.2. Hetgeen in grief 2 is aangevoerd kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Van Dokkum

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2007

480